Niet te beroerd om hulp te vragen, weet Kees Storm zijn studietijd en zijn werkende leven naar zijn hand te zetten. Een van de zetjes die hij in de goede richting krijgt, komt van het Van Beek Fonds. Zelf ziet hij een liniaalrechte lijn tussen zijn buitenlandervaring via dit fonds, zijn hele carrière en een belangrijk deel van zijn sociale leven.

Kees is, zoals hij zelf zegt, per ongeluk in Amsterdam geboren: “Mijn vader was vanuit Friesland naar Holland geëmigreerd, waar hij ging werken als politieagent. Het gebeurde vrij vaak dat er mensen uit Friesland in geüniformeerde beroepen in Amsterdam terechtkwamen. Net zoals veel Zeeuwen dat in Rotterdam deden.
Wij hadden het thuis niet erg breed. Na mijn lagere school was de kweekschool het hoogst haalbare. Ik wilde echter naar de hbs. Ik weet nog dat ik mijn meester, meneer Van de Beek, gevraagd heb mijn ouders te overtuigen. En dat heeft hij gedaan. Ik kreeg zelfs nog een kleine studiebeurs voor de hbs. Daarna volgde ik de avondopleiding tot accountant, een studie die een jaar of twaalf duurde. Tussendoor werd ik opgeroepen voor militaire dienst.”
Hij schiet in de lach: “Mijn moeder was pacifist, mijn vader een man in uniform en ik werd verscheurd door allerlei tegenstrijdige gedachten. Dus ik dacht: ik ga bij het corps geneeskundige troepen, want dan lap ik mensen op in plaats van dat ik ze doodmaak. Bij dat corps zat een selectieofficier die, tot mijn eigen verbazing, een officier in mij zag.
Nou ben ik van de lichting 1942, een jaar waarin de jongens schaars waren. Dus wij werden al vroeg opgeroepen. Ik was achttien en mijn mede-officieren waren in de twintig en hadden vrijwel allemaal al gestudeerd. Zij zeiden: ‘Je moet overdag gaan studeren. Dat in de avond is niet zo gezellig en straks heb je een vriendin en die wil je dan natuurlijk ook wel af en toe zien.’ Zij wezen me op de studiebeurs die net in het leven was geroepen door premier Den Uijl. Ik kreeg een beurs en kon gaan studeren na mijn diensttijd. Breed had ik het daarmee nog niet: ik bezat één net pak en één paar nette schoenen, maar het was een gouden tijd.”
In maart 1966 haalt Kees zijn kandidaats. Hij bedenkt zich wat hij met zijn vrije tijd moet doen: “Het nieuwe jaar begon pas in september. Nou had ik twee jaar gewerkt en twee jaar in militaire dienst gezeten, dus ik was niet meer zo van het stilzitten. Wat ik wel heel graag wilde, was naar de Verenigde Staten gaan. Dus ik ben naar het Amerikaanse consulaat in Amsterdam gestapt en heb aangebeld. Tegen de man die opendeed zei ik: ‘Ik ben Kees Storm, ik heb vrijwel geen geld en ik wil toch naar Amerika. Hoe doen we dat?’
Die vent schoot eerst in de lach maar wees me vervolgens op the experiment in international living, een programma waarmee je een paar maanden bij gastgezinnen in de VS kon gaan wonen. Hij zei er ook bij: ‘Je bent net te laat want de selectiegesprekken waren vorige week.’ Ik vroeg of de selectie al bekend gemaakt was. Hij antwoordde ontkennend en zei er direct achteraan dat hij de voorzitter van de selectiecommissie wel wilde bellen of ik toch nog langs kon komen.”
Zo geschiedt, de voorzitter vindt Kees wel een geschikte kerel met doorzettingsvermogen en na een week krijgt hij het telefoontje dat hij tot de uitverkorenen behoort. “We gingen met het schip De Grote Beer van Rotterdam naar New York, Na een kort verblijf daar reisde je door naar Washington en van daaruit ging je naar je hometown. Voor mij was dat Ohio. In totaal kostte het programma 1150 gulden.
Daarnaast had je nog zo’n 1200 gulden nodig voor je verblijfskosten.” Met tweeduizend gulden op zijn spaarrekening komt Kees net tekort. Om dat gat te dichten, neemt hij contact op met het Van Beek Fonds en dat geeft hem zeshonderd gulden. “Precies genoeg!”, lacht hij.
De drie maanden dat hij in de Verenigde Staten zit, zijn briljant mooi, straalt hij nog van geluk als hij erover vertelt. “Ik zat bij vijf verschillende gezinnen en legde, gesponsord door de lokale Rotary Club, allerlei bezoeken aan bedrijven af.” Hij schiet in de lach: “Grappig is nog wel dat mijn toen prille relatie met Anneke direct op de proef gesteld werd. We hadden sinds maart verkering en ik was van juni tot september gevlogen. Die gezinnen waar ik zat, hadden ook meisjes georganiseerd waarmee ik uit kon gaan. En ik zei maar steeds: ‘Nee, ik ben al voorzien. Ik ga niet uit met meisjes!’ En zie!” Hij wijst triomfantelijk naar Anneke die tegenover hem zit: “Ik kan wel stellen dat we die lakmoesproeven glansrijk doorstaan hebben!”
Naast een prachtige tijd, levert zijn periode in de VS hem nog veel meer op. Kees weet zijn ervaring te verzilveren als hij gaat werken. “Ik kwam terecht bij AGO, het latere AEGON. Zij deden een bod op een levensverzekeringsmaatschappij in Iowa. Er ontbrandde een juridische strijd over die overname en nadat AGO die in haar voordeel had beslecht, dachten mijn bazen: nu vinden die mensen ons vast niet meer aardig.
Nou werkt dat in de VS niet zo. Als je daar een juridische strijd wint, is het sentiment: tough for us, but you won. En dan gaan ze verder alsof er niets gebeurd is. In Europa werkt dat anders, dus bij AGO dachten ze dat ze de boel moesten lijmen. Omdat ik in de VS gewoond had en dus het beste Engels sprak binnen de firma, werd ik dat lijmmiddel. Zo ging ik in 1982 als toezichthouder naar Iowa en ik werd verantwoordelijk voor de Amerikaanse tak van het bedrijf. Na de fusie met ENNIA in november 1983 kreeg ik een miljard gulden mee om het bedrijf verder uit te bouwen; ik was als een jongetje in de snoepwinkel.”
Het blijkt een vliegwiel voor zijn verdere carrière. Na de aankoop van het Amerikaanse Monumental en een goede zakelijke periode in de VS, wordt Kees in 1992 voorzitter van de Raad van Bestuur van AEGON. “Ik heb mijn complete carrière te danken aan die zeshonderd gulden die ik gekregen heb van het Van Beek Fonds!”
Ik kreeg een miljard gulden mee om het bedrijf verder uit te bouwen; ik was als een jongetje in de snoepwinkel.
Dan breekt zijn vrouw Anneke in. Ze heeft tot nu toe vooral zitten luisteren naar het verhaal van haar man, maar als ze opstaat voor een tweede kop koffie vindt ze het wel tijd om een beetje bij te sturen: “Kees, je gaat veel te snel”, stelt ze nuchter. “Vertel wat je allemaal gedaan en meegemaakt hebt. Het is natuurlijk mooi dat je zoveel aan het Van Beek Fonds te danken hebt, maar je was eigenlijk te oud voor dat programma waarmee je naar de VS ging. Zij waren alleen high school students gewend.” Hij kijkt zijn vrouw schalks aan en verzucht dan gespeeld: “Ja. Dat ga ik doen.”
Terug dus naar 1966 als Kees 23 is en naar Ohio vertrekt. “Ik was een paar jaar ouder dan de meeste studenten die met dat experiment meegingen. Daardoor wisten die gastgezinnen ook niet goed wat ik wilde. Veel studenten maakten er gewoon een gezellige zomer van, maar wat wilde deze wat oudere jongen hier doen? Wilde hij sporten? Uitgaan met vriendinnetjes? Maar niks van dat alles, ik wilde de bedrijven bezoeken van de vaders in die gezinnen. Zij zaten allemaal bij de Rotary. Een goede, want daarin zaten niet alleen maar hoge piefen maar ook middenstanders.
De een was eigenaar van een betonfabriek, de ander distributeur van Coca-Cola en de volgende was verkoper van fototoestellen. En ik zei steeds: ‘Ik wil jullie werk leren kennen.’ Ik heb het verslag dat ik voor het Van Beek Fonds geschreven heb erop nageslagen en ik heb in die drie maanden in totaal 33 bedrijfsbezoeken afgelegd. Van een glasfabriek tot een energiebedrijf en van de personeelsafdeling tot de marketingclub. Ik zoog zo veel mogelijk kennis uit al die bedrijven op; ik heb me echt razend nieuwsgierig opgesteld. En die mensen zelf vonden het ook geweldig. Daar zijn vriendschappen voor het leven uit ontstaan. Ik heb bijvoorbeeld nog steeds contact met Bob Kent, de man die binnen de Rotary Club voor mij al mijn bezoeken in gang zette. Dus niet alleen qua werk is het Van Beek Fonds bepalend geweest, ook op mijn sociale leven is de steun die ik gekregen heb van het fonds enorm van invloed geweest.”
Anneke vult aan: “Nadat Kees voorzitter van de Raad van Bestuur geworden was en onze kinderen eenmaal studeerden, ging ik ook vaak mee. En terwijl Kees zijn zakelijke afspraken had, ging ik met de vrouwen van de Amerikaanse managers op stap. Heel veel van die contacten onderhouden we nu nog steeds.”

“Je moet je voorstellen dat we in Nederland, in de tijd dat ik bij AGO ging werken, nog nauwelijks iets wisten over de VS. Maar ik had dankzij het Van Beek Fonds overal in de keuken kunnen kijken. Ik wist hoe ze over marketing dachten, wat hun personeelsbeleid was, hoe ze overnames aanvlogen, hoe hard ze werkten en wat de arbeidsvoorwaarden waren. Ik kende de Heart Lands in de Mid-West, waartoe Ohio behoort, van binnenuit. Dat was precies waar AGO die firma overnam.”
Kees verschuift naar het puntje van zijn stoel en pakt een fotoalbum van tafel. Hij bladert er rustig wat doorheen en toont vergeelde zwart-witfoto’s van het Amerika uit de late jaren zestig. Zijn vinger blijft rusten op een fotootje van een bedrijf als hij stelt: “Weet je, eigenlijk is dit precies waar het Van Beek Fonds voor bedoeld is: mensen een ervaring geven in het buitenland die ze kunnen inzetten als ze in Nederland uiteindelijk aan het werk gaan. Ik heb zoveel geleerd in die drie maanden in de Mid-West. En doordat ik voor AGO teruggestuurd werd, kon ik die ervaring een-op-een toepassen. Ik heb álles wat ik geleerd had tijdens dat experiment in international living kunnen toepassen in mijn latere werk voor AEGON. Ik ben nog altijd buitengewoon erkentelijk voor die kans. Het is van invloed geweest op alles in ons verdere leven.”
Kees gaat op zijn zestigste met pensioen bij AEGON, maar stilzitten is ook dan nog steeds niet echt zijn ding. Dus stort hij zich op commissariaten en op goede doelen. Van voorzitter van de Raad van Commissarissen bij KLM en InBev, de grootste bierbrouwer in de wereld, tot projecten in Afrika voor de bestrijding van aids en hiv. “Zakelijk werd ik altijd gevraagd als lid van de audit commissie. Ik ben uiteindelijk na mijn studie economie nog afgestudeerd als accountant en als je dat stempel eenmaal hebt, kom je er nooit meer vanaf”, lacht hij. “Ook in die rol hielp mijn Amerikaanse ervaring weer, want al die bedrijven hebben nu een belang in de VS. Bij elke acquisitie kon ik mijn ervaring inzetten. Ik was steeds een beetje ‘onze man in Amerika’.
En zelfs bij de goede doelen kon ik mijn internationale ervaring en vooral mijn connecties gebruiken. Zo heb ik samen met professor Joep Lange en anderen in Nigeria een ziekenfonds opgezet voor de armste mensen in dat land. En in Nederland heb ik het geld bij elkaar geschraapt voor de bouw van het Cancer Center van het VU Medisch Centrum. Dat is die veelkleurige blokkendoos langs de A10. Welke ervaring ik vanuit de VS kon inzetten bij goede doelen? Het simpele besef dat je heel veel kunt bereiken met privégeld. Alle goede-doelenprojecten in de VS worden particulier gefinancierd. En dat heb ik bijvoorbeeld bij de VU ook gedaan. Ik ben gaan rondbellen om, zeg maar, een aantal mensen die goed geboerd hadden van hun schuldcomplex af te helpen. ‘Als je enorm veel verdiend hebt, wil je vast wat terugdoen voor de maatschappij’, dat idee. Ik belde op en zei: ‘Ik heb een miljoen nodig.’ En toen de eerste ja zei, stelde ik voor naar een vriendje van hem te gaan om diegene óók van zijn schuldcomplex af te helpen. Zo heb ik uiteindelijk 10 miljoen opgehaald. Dat gebouw werd natuurlijk steeds duurder, maar ik heb tegen de VU gezegd: ‘Dit is onze bijdrage, als het duurder wordt moet je de rest zelf bijleggen.’
Die aanpak is typisch Amerikaans. Als je iets belangrijk vindt, zet je je schouders eronder en zorg je met elkaar dat het gebeurt. Dat het ook hier in Nederland lukte, vond ik prachtig. Het is de kracht van een netwerk en voor mij is het bouwen aan dat netwerk begonnen in de jaren 60 in Amerika.”
Ik ben gaan rondbellen om, zeg maar, een aantal mensen die goed geboerd hadden van hun schuldcomplex af te helpen
In 2022 stopt Kees met al zijn commissariaten en goede doelen. Terugkijkend stelt hij dat hij zijn héle werkende leven te danken heeft aan die drie maanden dat hij met geld van het Van Beek Fonds naar Ohio is geweest. “Dat is zó belangrijk geweest. Dat jongeren, zoals ik in die tijd, die echt geen geld op zak hebben om zo’n ervaring te bekostigen, de kans krijgen hun toekomst een richting te geven. Voor mij is er een liniaalrechte lijn van het fonds naar mijn carrière. Dat gun ik elke ambitieuze student die niet de mogelijkheden heeft om het zelf voor elkaar te krijgen. Zij hebben een zetje nodig om al die tomeloze ambitie waar te kunnen maken en dat is precies wat het Van Beek Fonds doet. In mijn tijd en nu nog. Hoe mooi is dat?!”