An Ochtman

‘Ik had mijn droom en ik heb altijd stug doorgeleerd’

“Ik heb terminaal hartfalen. Daardoor heb ik een indicatie gekregen en zo kwam ik hier terecht op een verpleegafdeling. Dat is een soort all-inclusive resort. Alles zit erbij in: eten, drinken, zorg en een heel klein beetje aandacht. Zo’n afdeling is een wonderlijke samenleving van 22 mensen… een commune waar niemand voor gekozen heeft. Je maakt er het beste van, maar het heeft me veel moeite gekost het te accepteren. Je verliest de regie over je leven. Ik ga even in de slachtofferrol hoor, maar ik kom uit een heerlijk huis met een fijne tuin. En ik reed zelf nog auto. Nu zit ik in een piepkleine kamer met mensen om me heen waar ik niet mee kan praten.

Weet je wat het extra zwaar maakt? Ik ben zelf verpleegster geweest en ik zie zoveel. Noem het maar beroepsdeformatie. Dan wil ik helpen maar dat kan ik niet meer. Daarom ik heb me aangemeld voor de cliëntenraad. Kan ik me toch nog bemoeien met de gang van zaken. Waar ik vooral op let? Dat er aandacht is voor de mensen. Dat zit soms in kleine dingetjes, maar die zijn voor ons belangrijk. Niets zo erg als zomaar stom wachten tot iemand je eens helpt. Dat voelt alsof je er niet toe doet. Dit is één van de drie speerpunten van de cliëntenraad: aandacht. De andere twee zijn een goed protocol als er een virus uitbreekt. En als laatste betere activiteitenbegeleiding. Dat is een rommeltje. Ze hebben nog wel wat te leren bij Humanitas.

Zelf ben ik veertig jaar verpleegkundige geweest. Ik begon als eerste verpleegkundige. Tot ik een tip kreeg van een vriendin dat in het Dijkzigt de functie hoofdverpleegkundige bij de afdeling Keel, Neus en Oor vrijkwam. Ik werd aangenomen en heb er tot aan mijn pensioen gewerkt. Een geweldige tijd, want het academisch ziekenhuis krijgt de moeilijkste gevallen: heel interessant.

Ook wel een interessant verhaal trouwens, is hoe ik in de verpleegkunde terechtgekomen ben. Dat komt uit mijn jeugd. Ik ben geboren in Indonesië en tussen mijn tiende en mijn veertiende jaar heb ik in een Jappenkamp gezeten. We werden tewerkgesteld, maar er was niet veel te doen. Zo herinner ik me dat we een stapel stenen van de ene kant van het kamp naar de andere kant verplaatsten. En weer terug. Volstrekt zinloos. Verder was er niets, want die Jappen stopten je bij elkaar en dan zocht je het zelf maar uit. De vrouwen in het kamp hadden alles dus zelf maar zo keurig mogelijk geregeld. Zo waren er geen artsen, maar wel verpleegkundigen. Zij hadden zelf een kliniek opgezet. Ik vond het daar prachtig! En ik mocht meehelpen, dat was heerlijk om te doen. Omdat er heel weinig materiaal was, moest alles hergebruikt worden. Zo werd ook het verband steeds opnieuw gewassen. Ik rolde dat weer in nette rolletjes en terwijl ik bezig was, zag ik die verpleegsters werken. ‘Later’, dacht ik dan, ‘later’.

We verplaatsten een stapel stenen van de ene kant van het kamp naar de andere kant. En weer terug. Volstrekt zinloos.

Na de oorlog werden we herenigd met mijn vader. Hij vond het niks dat ik verpleegster wilde worden. Maar ook hij kreeg het niet uit mijn kop. In Nederland kwam ik als meid van veertien in de zesde klas lagere school, omdat ik zoveel onderwijs gemist had. Dat leeftijdsverschil met mijn klasgenootjes was niet fijn, maar ik had mijn droom en ik heb altijd stug doorgeleerd.

Na het overlijden van mijn vader, kocht moeder een huisje voor haarzelf, mijn zus en ik. Toen ook zij overleed, zijn mijn zus en ik in dat huis blijven wonen. Dat was wel gezellig; we zijn allebei nooit verder gekomen dan één of twee verloren liefdes. In 2013 overleed mijn zus. Ik mis haar heel erg, we hebben zolang alles samen gedeeld.

En twee jaar later, in januari 2015, bleek ik dus hartfalen te hebben. En er is niks aan te doen. Er is te veel mis. Mijn hart is te groot, het pompt niet goed, de bedrading is niet in orde en twee kleppen zijn verkalkt. De dokters gaven geen cent voor mijn leven; ikzelf ook niet. Toch knapte ik op. Ik vond het eerst verschrikkelijk: ik kon niet meer leven zoals ik gewend was en wilde alleen maar dood. Maar ja, daar dacht mijn lijf toch anders over. Een pastoraal medewerker hielp me om mijn leven anders in te richten en dat heeft me wel geholpen.

Ik slaap nu tussen de middag en ik ga rond zes uur naar bed. Dat vind ik niet erg, dan lig ik nog lekker tv te kijken. Maar goed, soms zit ik weleens op mijn kamer en denk ik: wat dóe ik hier in godsnaam? Dan wil ik alleen maar weg van hier. Het is niet anders, we maken er dus maar wat van.”