Eddy Pieters Graafland

Wij zijn eenlingen op het veld

De herinnering aan menig keeper op Zuid wordt liefdevol gekoesterd in het hart dat Feyenoord klopt. Joop Hiele, Ed de Goeij, Eddy Treijtel, Jerzy Dudek. Noeste kerels die zonder schroom in de baan van de bal doken en hun doel schoonhielden. Van al die namen wordt geen enkele zo teder uitgesproken als die van Eddy PG. Eddy Pieters Graafland. Hij stond onder de lat toen Feyenoord als eerste ploeg uit Nederland de Europacup I won in 1970. Nog altijd geldt hij als een van de beste keepers van ons land. Hij haalt er zijn schouders over op: “Och, ik wilde gewoon de beste zijn. Dat is, geloof ik, redelijk gelukt.”

Het is lang geleden en het was toen een recordtransfersom. In het licht van de huidige tijd was het een lachwekkend bedrag; Lionel Messi en Christiano Ronaldo verdienen al meer met het aantrekken van hun schoenen. Maar het was 1958, een tijd waarin je als prof werkte naast je voetbalcarrière en waarin aartsrivaal Ajax nooit gedacht had dat Feyenoord het daadwerkelijk zou overwegen.
Maar dat deden ze in de Kuip dus wel. Zonder blikken of blozen legde de directie 134.000 gulden op tafel om Eddy PG over te nemen. Meer dan Piet van der Kuil die het jaar erop voor 130.000 gulden Ajax verruilde voor PSV. Eddy was dan ook niet zomaar iemand. Hij was de beste keeper die in ons land op de groene mat stond: “Feyenoord had een keepersprobleem. Ze speelden wel het mooiste voetbal van Nederland, maar ze kregen ook nogal veel tegendoelpunten.”

Ook in 1958 al was een overstap van Ajax naar Feyenoord of vice versa ‘een dingetje’. Helemaal als je Pieters Graafland heette. De PG’s, dat was een Ajaxnest. Zijn vader zat zelfs in het bestuur en had ervoor gezorgd dat Eddy al op elfjarige leeftijd bij de hoofdstedelingen mocht gaan trainen; twaalf was toen de minimumleeftijd. Na zijn transfer naar Feyenoord mocht Eddy drie maanden niet thuiskomen: “Ik hoorde bij Ajax. Ik heb ook elke sport beoefend die je bij hen kon spelen, van honkbal tot cricket. Voetballen kon ik niet, dus ging ik maar op doel. En op mijn zeventiende debuteerde ik in het eerste voetbalelftal.”
Maar in 1958 bekoelde de liefde in nog geen drie weken tijd.
Het eerste van Ajax ging voor veertien dagen op reis naar Zuid-Afrika. “Een hele opgave voor mij, want ik was naast keeper ook hoofdvertegenwoordiger bij Cor du Buy Sport. Cor du Buy was een beroemd tafeltennisspeler die na zijn sportloopbaan een firma in sportartikelen begonnen was met zijn broer Jaap. Jaap was mijn directe baas. Voor hem ging ik elke veertien dagen naar grote klanten als Vroom & Dreesmann en Perry Sport. Ik had bij hem verlof geregeld.” Maar een week voor vertrek hoorde Eddy dat het tochtje geen veertien maar negentien dagen zou duren, wat hij oploste door die vijf extra dagen voor eigen rekening te nemen. Op Schiphol vertelden ze dat ze zelfs 21 dagen weg zouden gaan. “Vanwege die grote klanten in mijn portefeuille had mijn baas gezegd dat ik na die negentien dagen echt wel terug moest zijn.” De clubleiding zei dat ze in het vliegtuig wel een telegrammetje zouden sturen om het uit te leggen, maar daar deed Eddy dus niet aan mee: “Ik had afspraken gemaakt. Dus ik zei: ik ga alleen als ik na negentien dagen terug kan vliegen.”
Zo geschiedde en na die negentien dagen stond Eddy in zijn piereneentje op het vliegveld voor een vlucht van 26 uur via Dubai terug naar Amsterdam. “Linksbuiten Willy Schmidt bracht me naar het vliegveld maar van het bestuur kwam niemand me uitgeleide doen. En niemand van de club wachtte me op in Amsterdam. Verbijsterend; mijn hele familie zat bij Ajax, ik was een dragende speler van het elftal en Johannesburg was niet naast de deur. Ik zat in dat vliegtuig terug en dacht: het zou zomaar kunnen dat ik nooit meer voor Ajax uitkom.”
Rini van Woerden, toen linkshalf bij de Rotterdammers en een goede vriend van Eddy, belde na zijn terugkomst om te vragen hoe het geweest was. Eddy stak een klaagzang af, waarna Rini direct vroeg of hij niet naar Feyenoord wilde komen. “Als je dat voor elkaar krijgt, dan heb je mijn woord, zei ik.” En zo geschiedde.

‘Als ik een doelpunt tegen kreeg, zat ik ’s avonds thuis met een schetsboek uit te tekenen waarom die bal erin was gegaan’

Twijfel heeft Eddy PG niet gehad over de overstap. Feyenoord, Ajax, PSV. Dat waren ook toen al de drie topclubs en als goede keeper wilde je bij een van die drie spelen. “In de Kuip werd droomvoetbal gespeeld toen. Daar wilde je bij horen. Zeker als je een verschil kunt maken en bij Feyenoord kon ik dat. Het was ook een fijne ploeg waarin ik terechtkwam. Ik werd direct opgenomen en van toernooien en interlandwedstrijden kende ik ook al een paar gasten uit het team. Die jongens vonden het ook fijn dat ik als aanvulling kwam.”
“De keeper is een van de meest belangrijke posities in een elftal”, stelt hij vervolgens en tikt met een vinger op tafel om zijn standpunt kracht bij te zetten. “De drie topmensen in het team moeten zijn: de keeper, de centrale middenvelder en de spits. Dat is de as van je ploeg waarop je het elftal opbouwt. Ik had centrale middenvelders als Jo Walhout en later Rinus Israël en Theo Laseroms voor me. Wij konden dromen hoe de ander speelde. Jo kopte vaak de bal naar achteren naar mij. En ik wist aan de manier waarop hij indraaide hoe hij ging koppen. Dat was een A-B-C’tje voor ons.”
Met de wetenschap dat hij al zestig jaar in de top drie van de beste keepers van ons land staat, en de prijzen die hij gewonnen heeft, durft hij wel te beweren dat hij een aardig potje kon keepen. “Ik wilde de beste zijn en daar deed ik alles aan. Naast mijn werk bij Cor du Buy trainden we bij Feyenoord tien keer in de week. Daarnaast trainde ik nog twee keer zelf. Ging ik touwtjespringen en gewichtheffen en zo, om maar zo fit mogelijk te zijn. Mij kon op de zondag niks gebeuren dat ik kon wijten aan te weinig voorbereiding.”
Voor hem maakt dat ook het verschil tussen een goede en een uitmuntende keeper: de wil om alles uit een wedstrijd te halen, elke wedstrijd weer. Deels is het techniek. Zo valt hem op dat keepers vaak half naar achteren vallen als ze een schot op doel krijgen: “Maar als je zijwaarts valt, dan is de kans dat je die bal stopt veel groter!” Hij maakt een handbeweging om aan te tonen dat je zomaar twintig à dertig centimeter wint door de stand van je hand.
Het andere deel dat het verschil maakt, is bezieling. En daar had Eddy een onuitputtelijke voorraad van. “Je kunt je wedstrijd spelen en dan zeggen: aju, morgen ben ik er weer. Maar ik was altijd bezig, studeerde. Ik was bezeten. Als ik een doelpunt tegen kreeg, vroeg ik me af wat ik fout deed? Dan zat ik ’s avonds na de wedstrijd thuis met een schetsboek in mijn hand uit te tekenen waarom die bal erin was gegaan.”

‘Het mooiste wat je mee kunt maken. Dat je de finale van de Europacup mag en kan spelen. En dat je hem dan nog wint ook’

Keeperstrainers waren er nog niet. Eddy liet een stuk zand bij het trainingscomplex afzetten met een hoge boarding en dan moesten spelers hem via de boarding aanspelen. “Een bal reageert op verschillende manieren als je op verschillende manieren tegen de boarding aanschiet. Ik stond in dat loeizware mulle zand om daarmee mijn reactiesnelheid te trainen.” Ook hield hij statistieken bij. Eddy PG was misschien wel de eerste keeper die een schriftje had waarin hij bijhield hoe de tegenstanders een penalty namen. “Ik bestudeerde zelfs buitenlandse spelers. Dan ging ik op maandagochtend naar de bioscoop om het Polygoonjournaal te kijken voor wedstrijden uit het buitenland. Het is me gebeurd met Raymond Kopa, een speler van Reims. In het journaal zag ik hem een penalty nemen. Rechts van de keeper. Dat schreef ik op en een jaar later staan we tegen Reims! Ik wist: als hij een penalty neemt, dan schiet hij rechts van me. Honderd procent zeker. Het gebeurt en ik houd die bal uit de goal. Nou, dat had ik in de bioscoop gezien.”
Dat studeren gaf hem ook handige inzichten: “Als een speler rechts is, schiet hij in 75 procent van de gevallen rechts van de keeper. Het is geen suffe kansberekening zoals kop of munt, het is logica. Je schiet met je wreef naar de kant die je het beste ligt. Je moet als keeper wel de tijd en moeite nemen om het te bestuderen, natuurlijk. Ik werd niet door de club naar de bioscoop gestuurd. Je moet zo gek zijn op het spelletje dat je op maandagochtend in de bios wil gaan zitten. Om beter te worden; ik wilde ballen tegenhouden. Daar kan ik nog enthousiast over worden. Keepers zijn ook wel een apart slag. Wij zijn eenlingen op het veld; totaal individuele spelers. Aparte mensen die zichzelf vermaken tot het moment dat ze er moeten staan en geen fout mogen maken.”

Eddy PG draagt de cup met de grote oren De Kuip in ©Roel Dijkstra – Vlaardingen / Foto Peter Molkenboer

Het hoogtepunt in zijn carrière komt in zijn laatste voetbaljaar, op 6 mei 1970 in het Milanese stadion San Siro. Hij wil niet te veel stilstaan bij de aanloop naar die legendarische avond (“We zijn vriendjes geworden dus het is allemaal geweest.”), maar zijn verhaal is niet compleet zonder deze anekdote. De uit Oostenrijk afkomstige trainer Ernst Happel had Eddy PG op de bank gezet ten faveure van die andere Eddy (Treijtel). Maar als Treijtel vlak voor de Europacupfinale een ongelukkige wedstrijd heeft tegen Ajax (door zijn missers verdampte een 1-3 voorsprong en eindigde de Klassieker in remise) stapt Happel op PG af met de mededeling dat hij in de finale tegen het Schotse Celtic op doel moet gaan staan.
Eddy PG bedankt vriendelijk voor de eer, omdat hij het hele seizoen al genegeerd is door de trainer. Happel dringt aan en, toegegeven, hoe vaak krijg je de kans om een grote finale te spelen? Hij gaat dus overstag en op 6 mei 1970 betreedt hij de mat als eerste keeper. In de 28ste minuut krijgt hij een vrije trap van Tommy Gemmel om de oren. De overlevering is de keeper echter gunstig gezind: over het algemeen wordt arbiter Concetto Lo Bello verweten dat hij zich opstelde op een ridicule plek net achter het muurtje van Feyenoord waardoor de scheids Eddy PG het zicht ontnam. Twee minuten na de vreemde vrije trap, had Rinus Israël de gelijkmaker al in de touwen. Eddy PG – door Celtic-coach Jock Stein nog denigrerend ‘die veteraan in de goal van Feyenoord’ genoemd – moest nog een paar katachtige reddingen uit zijn 36-jarige lijf persen alvorens Ove Kindvall in de 117de minuut het pleit beslechtte met een fenomenale stiftbal. Ook bij deze goal was de arbiter nog van cruciale betekenis, want hij liet doorspelen nadat Celtic-verdediger Billy MacNeill hands maakte in een poging Kindvall het scoren te beletten.
“Het mooiste wat je mee kunt maken. Dat je de finale van de Europacup mag en kan spelen. En dat je hem dan nog wint ook. Voor mij was die wedstrijd helemaal bizar want ik wist tien dagen van tevoren pas dat ik zou spelen. Ik heb alles meegemaakt wat ik mee kon maken. In het Nederlands elftal stond ik 47 keer in de basis, ik heb bij de twee grootste clubs van ons land gespeeld. En naast de beste van Europa in 1970, werd ik met Feyenoord vier keer kampioen, waarvan twee keer ‘de dubbel’. Ik kan me geen mooiere carrière voorstellen. Daarnaast was Feyenoord een geweldige ploeg, leuke jongens die alles voor elkaar overhadden. Op maandag gingen we met zijn allen uit. Zo’n hecht teamverband vind je niet meer. Tegenwoordig zijn ze verdwenen als ze ergens anders een tientje meer kunnen verdienen. Een speler is een of twee jaar bij een club, dan is van binding geen sprake. Dat was bij ons wel anders; ik heb dertien seizoenen in het eerste van Feyenoord gestaan en we speelden al die tijd met vrijwel dezelfde groep.”

Het huidige voetbal is een bedrijf geworden, iets wat Eddy PG mede ziet aan dat verloop van spelers. De eenheid waarover hij sprak, het vanzelfsprekende elkaar kunnen vinden op het veld is verdwenen. Het grote verloop doet ook iets met het publiek: “In mijn tijd was de verhouding met het publiek uniek. De fans zaten ook nog wat dichter op het veld dan nu. Langs het veld voor het hek had je altijd nog een aantal mindervaliden en geestelijk gehandicapten staan die naar de wedstrijd kwamen kijken. Als ik het veld opkwam, stonden ze te juichen en dan stapte ik op ze af. Ik ging nooit meteen in het doel staan. Dan ben je één met ze. Wij waren, denk ik, wel veel meer benaderbaar dan tegenwoordig. Ik kan me herinneren dat de mindervalidentribune langs het veld stond. Na de wedstrijd ging ik daarheen; voor hen was dat het moment van de dag. Ik deed er zo lang over dat de meeste jongens al gedoucht en omgekleed waren als ik in de kleedkamer kwam. Maar ik deed die fans er een enorm plezier mee. Ik vind dat niet meer dan logisch; zij komen daar toch om ons te zien spelen?”

Zijn tijd was charmanter, kleinschaliger, dichter op het publiek. En je moest werken naast je carrière in het voetbal. “Je kon niet rondkomen van je salaris,” memoreert hij. “Ik herinner nog dat het betaalde voetbal in 1953 ingevoerd werd. Voor een training kregen we vijf gulden en we trainden twee keer in de week. Dat we zeiden: we willen best vier keer in de week trainen! In mijn allereerste contract stond dat we met wedstrijden 50 gulden verdienden als we wonnen, 25 als we gelijkspeelden en niks als we verloren. Gelukkig wonnen we wel de meeste wedstrijden, dus we verdienden redelijk. Rijk werden we niet dus daarnaast bouwden we een eigen carrière op. Onvergelijkbaar met al die idiote bedragen van nu. En ik weet niet of het voetbal er kapot van gaat, maar waanzin is het wel dat een speler voor 230 miljoen verkocht wordt. Uiteindelijk moet hij ook gewoon maar wat tegen een bal aantrappen.”

Bronnen
Celtic voelde zich niet door Feyenoord, maar door Happel in zijn hemd gezet, Matty Verkammen, Trouw 23 augustus 1999
Eddy Pieters Graafland (1934), www.kentudezenog.nl 18 november 2013