Stijlvast

Iedereen kent de standaarduitdrukking: kleren maken de man. Maar zoals wel vaker bij clichés, ze zijn zo ontzettend waar. Je kleding en je voorkomen zijn echt van cruciaal belang in je communicatie. Wie kan daar beter over meepraten dan couturier Mart Visser? ‘Kleding is het eerste communicatiemiddel van je bedrijf.’

‘Ik sta natuurlijk bekend als modeontwerper maar ik vind mijzelf eerder een createur. De mode is daar onderdeel van. Ik was altijd creatief bezig en ontwikkelde al vroeg een eigen signatuur met de kleuren en vormen die ik mooi vind en die ik ook nog steeds gebruik in mijn werk. Als kleuter had ik al potjes waarin ik krijtjes vermaalde en met elkaar mengde om mijn eigen kleuren te krijgen. Mijn werk was meant to be, ik kan me niet anders herinneren dan dat ik dit wilde doen.’

We kunnen dus wel stellen dat je enige vormvastheid hebt?
‘Voor mijn collecties zoek ik stoffen rechtstreeks bij de fabrikant. Stel dat ik olijfgroen wil. Dan is er een complete wand met tinten olijfgroen. Waarom selecteer ik die ene tint met dat ene type art work? Ik probeer wel eens out of the box te denken, maar ik val altijd terug op de voorkeuren die ik heb. Sta ik bij de kassa, wissel ik die rol stof toch nog snel om voor de kleur die echt past in mijn smaakpallet. Het is een dwingend kader waaraan je niet ontkomt. Ik geloof ook dat je daarvoor niet moet weglopen. Het is mede bepalend voor wie je bent.’

‘Als kind wordt je geladen met beelden. Dan worden je voorkeuren voor kleuren, vormen en patronen bepaald. Mijn ouders besteedden altijd aandacht aan wat mijn broers en ik mooi vonden en waarom – van het knutselen aan de eettafel tot het museumbezoek. Dat heeft ons gevormd. Wij zitten alle drie in de modewereld. Mijn oudste broer is mijn brand manager en mijn andere broer is senior designer voor de herencollectie van de Russische keten O’sin. Dat verbaast me niks als ik terugkijk op hoe mijn ouders met ons bezig waren over kleuren, vormen en schoonheid.’

‘Het is heel simpel: zet een spiegel naast je deur.’

Je zegt feitelijk dat je werk voorbestemd was, maar er zijn nogal wat creatieve beroepen. Wanneer wist je dat je naar de modeacademie wilde?
‘Mode heeft me altijd wel geïnteresseerd. Ik ben ook de opleiding Mode en Kleding in het middelbaar beroepsonderwijs gaan doen. Daarbinnen had je wel dertig vakken, van etaleren tot patroontekenen. Hier kreeg ik scherp voor ogen wat bij me paste. Ik was een jaar of zestien toen ik bij een show van Max Heymans terechtkwam, de nestor van de vaderlandse haute couture. Een vriendinnetje van mij zette bij hem knopen aan als stage. Zij kon een kaartje regelen. Dat kostte 35 gulden; ik heb het geld bij elkaar verdiend met autowassen.’

‘Zat ik daar. Al die doodsjieke dames op de eerste rij met handschoentjes aan. Kwam er een prachtige donkere mannequin op en riep de lady speaker: “En mille neuf cent quatre vingt huit dans la Reu Gambon: Shirley!” En daar kwam dan Shirley binnen, zo over de vloerbedekking bij Max Heymans. Toen viel voor mij het kwartje. Dat was het beeld.’

Vervolgens ging je naar de Hogeschool om van haute couture je vak te maken. Een couturecultuur was er toen toch niet in ons land?
‘Voor Heymans had je helemaal niets. Na hem kwamen mensen op als Frank Govers, Frans Molenaar en Edgar Vos. Nederland ging haute couture waarderen. Maar de modewereld zoals we die kennen, waarin ontwerpers elk half jaar in shows laten zien wat de nieuwe mode wordt, is passé. Nu hebben zij een eigen stijl en handschrift met eigen volgers en ambassadeurs en een eigen huis. Haute couture is weer het maatwerk van vroeger geworden. Mensen zoeken exclusiviteit binnen een stijl en sfeer.’

 

Tijdens je studietijd was Molenaar een van de grote namen. Jij kwam uitgerekend bij hem terecht. Hoe was dat?
‘Ik ben direct aan het begin van mijn studie bij Frans begonnen. Eerst het aankleden van mannequins tijdens zijn shows; ik eindigde met het ontwerpen van de collecties voor zijn licentie in Japan. Bij Frans heb ik geleerd hoe de haute couture in Amsterdam en in Nederland werkt. Ik leerde van hem ook de zakelijke kant van het vak.’

‘Na mijn studie ging ik een jaar in New York werken voor grote namen als Anne Klein, Koos van den Akker en Rodney Telford. Steeds beter zag ik wat ik wilde: mijn eigen modehuis met die eigen stijl en dat eigen handschrift. En al mijn ervaring leidde tot die eerste eigen collectie. Bij het Nederlands Bont Instituut liep ik naast de gevestigde heren Govers, Molenaar en Vos als jonge huppel rond. Mijn eerste show werd een succes en ik was ineens ook een grote naam.’

Dat klinkt vast leuker dan het is.
‘Mijn wereld stond op zijn kop. Ik was veel te jong voor dat succes. Ik flitste voorbij aan de mensen die met mij hun carrière opbouwden. Vooral lastig vond ik, dat ik het gevoel had nog midden in het proces te zitten van het modelleren van mijn eigen stijl. Natuurlijk heb ik veel bijgeleerd na dat eerste succes, maar ik denk dat een meer geleidelijke ontwikkeling prettiger geweest was. Voor vragen over waar ik stond en waar ik naartoe wilde als couturier was eigenlijk geen tijd meer.’

Wat heeft je in die bliksemstart van je carrière het meest gevormd?
‘Toch de houvast aan mijn eigen stijl en handschrift en het vertrouwen dat dit me altijd gegeven heeft. Ondanks het gevoel dat die stijl nog zijn definitieve vorm moest krijgen. Het is wel grappig om terug te zien wat ik toen maakte. We werken nu aan een open archief op Pinterest. Een onwijs werk, want ik heb tienduizenden tekeningen. Maar ik zie in al die oude tekeningen dat mijn handschrift overeind is gebleven. De sfeer, belijning en details in tekeningen van twintig jaar geleden kloppen met wat ik nu maak. Ik heb dus altijd een duidelijke stijl gehad.’

‘Die duidelijkheid is de kracht van elke couturier. Hoe belangrijk dat is, zie je bij grote modehuizen. Zij vliegen steeds nieuwe ontwerpers in maar uiteindelijk vervaagt de stijl en blijft slechts de naam over. Nu we aan mijn open archief bouwen, zie ik weer heel duidelijk mijn handschrift. En ik zie dat ik mijzelf blijf versterken binnen dat handschrift.’

‘Ik kom niet langs om het volgende jasje te maken in marineblauw met drie knopen in plaats van donkerblauw met twee knopen.’

We komen steeds terug bij eigenheid, duidelijkheid. Die moet je ook uitdragen, neem ik aan? Mensen komen niet vanzelf.
‘Absoluut. Communicatie is alles. De collectie is slechts het aanvangspunt van mijn werk. Elly Koot is al twintig jaar mijn dame du salon, zoals dat bij ons mooi heet. Zij weet precies wie mevrouw Bakker is, hoe zij de koffie drinkt en dat ze naar Saint Barts op vakantie gaat. Ellie weet alles; dat is cruciaal. Onze communicatie is tailormade. Bij ons geen standaardmails of -kaarten. Uitnodigingen voor shows voorzie ik altijd van een persoonlijke noot. Beste mevrouw Jansen, wat fijn als u weer komt. Doet u dat leuke rode jurkje van de laatste keer dan weer aan? Ontzettend veel werk maar zeer persoonlijk. En het werkt, want mevrouw Jansen komt inderdaad in dat prachtige rode jurkje binnen, keurig naar de kapper geweest. En iedereen doet zijn best er goed uit te zien. Ik ontvang iedereen persoonlijk bij de deur. Fantastisch om te zien.’

Herken je het karakter van mensen aan wat ze dragen?
‘Als ik het goed doe, versterkt mijn werk het karakter. Ik doe het fout als mevrouw Jansen aankomt en mensen zeggen: wat een mooie rode jurk. Ik doe het goed als mensen zeggen: wat ziet mevrouw Jansen er goed uit in die mooie rode jurk. Dat is voor mij een subtiel maar cruciaal verschil. Daarin zit de kracht van ontwerp, modellering, stof en kleur. En dat is puur intuïtief. Ik vind iets mooi of niet. Het is de erfenis van het krijtjes mengen. Ik moet mensen leren kennen en dan zie ik dat die ene kleur rood wel staat en die andere niet. Bij mij is het uitsluitend één-op-één contact.’

Jouw communicatie is dus mensenkennis. Je doet ook veel bedrijfskleding; werkt dat hetzelfde?
‘Bedrijfskleding is iets anders dan de galajurk voor mevrouw Jansen. Maar ook bij bedrijfskleding doe ik zelf uitgebreid onderzoek. Ik heb in de loop der jaren een kleine honderd bedrijven aangekleed en ik zorg altijd dat ik weet waar het om gaat. Ik zit met de ceo aan tafel in een pittig gesprek over waar het bedrijf naartoe moet en hoe de kleding daarbij past. Daarnaast selecteert het bedrijf mensen waarmee ik kan praten, omdat ze er al lang werken bijvoorbeeld. Maar ik ga ook altijd zelf een keer langs om het bedrijfsproces te ervaren en te zien hoe de mensen werken.’

‘Ik ben nu bijvoorbeeld bezig met een kledinglijn voor een welness center. Ik ben er lekker een dagje naartoe geweest. In een badjas met mijn aantekeningenboekje bij me, kijk ik rond. Ik praat ook met de medewerkers over wat volgens hen klopt en wat niet. Zo proef ik waar ik kan verbeteren. Ik wist na een dagje wellness precies wat ik moest doen.’

Hoe belangrijk is goede bedrijfskleding?
‘Kleding is het eerste communicatiemiddel van je bedrijf. Stel dat je medewerkers al acht jaar lang 36 uur in de week in een pak lopen waarvan ze elke ochtend denken: oh nee, daar gaan we weer. Dat is het slechtste wat je kunt hebben voor je brand. Mensen moeten zich prettig voelen in hun kleding. Je moet nieuwe bedrijfskleding dan ook laden bij de medewerkers. Betrek ze erbij. Toon wat de ideeën zijn en vraag naar hun mening. Houd shows met medewerkers als mannequins. Zorg dat het nieuwe tenue schitterend verpakt thuisbezorgd wordt. En dat is dus allemaal communicatie, communicatie, communicatie.’

‘Dat commitment moet er trouwens wel ook zijn vanuit de directie als ik gevraagd wordt bedrijfskleding te ontwerpen. Is dat er niet, dan doe ik het niet. Ik kom niet langs om het volgende jasje te maken in marineblauw met drie knopen in plaats van donkerblauw met twee knopen. Goede bedrijfskleding heeft een concept nodig. Weet een bedrijf dat, dan kan ik iets moois neerzetten.’

‘Zo heb ik niet zo lang geleden de kleding voor Facilicon ontworpen. Dat bedrijf is ontzettend gegroeid door overnames en omvat nu negen bedrijven. De bedrijfskleding bestond uit ruim 260 verschillende kledingstukken. Maar waarom een casual en een nette broek als de casual broek onder een colbertje ook netjes staat? Ik maakte een concept en werkte naar versmalling en verdieping van de collectie. Er zijn nog maar achttien items, maar die zijn te bestellen in varianten. Zo is er keuze, terwijl het bedrijf een vermogen bespaart in de productie. Het gaat om bedragen van zeven cijfers. Het klinkt behoorlijk duur als je zegt dat een couturier je bedrijfskleding doet, maar ze hebben mij keer acht terugverdiend. Daar komt bij dat de signatuur die ik in de kleding gebracht heb Facilicon als bedrijf herkenbaar maakt en dat is een groot voordeel in je pr, communicatie en zelfs free publicity. Net als met een huisstijl of een logo is bedrijfskleding voor de branding van je merk ontzettend belangrijk.’

‘Onze communicatie is tailormade.’

Je merkt al op: het klinkt duur als je naam valt. Mensen hebben ongetwijfeld al een beeld van je voor je binnenstapt. Hoe ga je daarmee om?
‘Ik heb wel eens last van een opgelegd ego; dan voel ik acute aversie tegen me. Maar ik moet eerlijk zijn. Voor een deel heb ik dat beeld zelf gecreëerd. Ik was een ettertje van 23 die het wel even ging maken. En dat lukte me nog ook. Dat komt je ego natuurlijk niet ten goede en zulke dingen blijven een lange tijd hangen, hoor. Ik heb die bravoure gelukkig niet meer nodig. Ik kan nu zeggen: dit is wie ik ben en dit is wat ik doe. Take it or leave it.’

Is dat mede bepalend voor de keuze waaraan je jezelf verbindt? Wel RTL Late Night maar niet de vip-editie van Expeditie Robinson?
‘Haha, nou, ik krijg wel alle aanvragen binnen, hoor! Het is een kwestie van bewust kiezen. Ook al ben ik een bekende Nederlander, ik weet wel waar ik voor sta. Heeft het toegevoegde waarde vanuit mijn functie? I’ll be there! Maar ik ga dus niet in een kek klein Prada-broekje op een tropisch strand staan. Dat ben ik niet. En dat bekende-Nederlanderschap hoeft ook niet meer zo. Vroeger was ik overal. Tot er een lijstje in de Privé voorbij kwam met de vijftien bekende Nederlanders die je op alle feesten en partijen tegenkwam. Stond ik nummer 2 achter Jan des Bouvrie. Toen dacht ik: dit moet acuut anders. En als gezegd de verzoeken komen vaak genoeg, maar veel zie ik niet eens meer. Krijg ik soms een briefje van een medewerker: we hebben maar weer eens nee gezegd tegen die en die. Dat klopt nog steeds, toch?’

Terug naar de kleding. Wat zegt kleding als je binnenkomt?
You never have a second change for a first impression. Dat zegt alles. De deur van mijn modehuis is van gespiegeld glas. Dat heb ik expres gedaan. En iedereen die aanbelt, controleert zichzelf nog snel even in die spiegel. Iedereen weet het ergens ook wel: kleding is enorm bepalend voor je voorkomen en onbewust houden we er wel degelijk rekening mee. En welke eerste impressie de gemiddelde ceo maakt? Ik vind het lastig daar in algemeenheden iets over te zeggen. Ik zie veel klasse. Laatst zat ik op de Zuidas te lunchen en dan zie je echt leuke rokjes met stoere schoenen eronder. Echt verzorgd. Wat wel ontzettend belangrijk is, maar vaak wordt vergeten, is goede grooming. Netjes gekleed en er dan onverzorgd bijlopen? Even naar de kapper en een manicure nemen. Het maakt vaak net even dat verschil om echte klasse uit te stralen.’

‘En je kunt met vrouwen natuurlijk meer dan met mannen. Voor de man zijn er veertien archetypes. Het wordt lente dus we kunnen straks weer wat meer. Zie je overal donkerblauw in plaats van een streepje. Dat zegt genoeg over de kleding voor de man. Maar toch; als communicatieprofessional of woordvoerder kun je het verschil maken. Ook in de kleding die je baas draagt.’

Hoe kan de communicatieprofessional zich het beste voorbereiden op die rol?
‘Vanuit mijn rol beredeneerd heel simpel: plaats een spiegel naast je voordeur. Als jij iemand adviseert in diens communicatie, dan moet je er zelf ook goed uitzien. Dat kun je alleen doen vanuit een vorm die klopt. En voor de duidelijkheid: een vorm klopt als die past bij wie je bent. Het klinkt arrogant, maar het is heel simpel: zet een spiegel naast je deur.’