“Het sterke van Afrikaanse steden is, dat niks stoort”

Carel Weeber drukt de stopknop op zijn videocamera in. De beelden van een immens terracottakleurig huis verdwijnen. Hij neemt plaats aan de keukentafel, wrijft over zijn kin en denkt na. Het door Weeber ontworpen pand voor de ambassadeur in Senegal figureerde al eerder in de architectuurbladen. Toen stond het nog in de steigers. Nu het is opgeleverd blikt Weeber terug op het project en beziet hij de verschillen tussen bouwen in Senegal en hier in Nederland.

 

‘Buitenlandse Zaken wilde iets typisch Nederlands laten zien’, zegt hij uiteindelijk. ‘Ik heb gezegd dat je dan niet met moderne Nederlandse architectuur moet aankomen, want die is te universeel. Bij een Koolhaas of Van Egeraat moet je echt een bordje ophangen dat wat zij gemaakt hebben Nederlands is. In Senegal zien ze het verschil niet tussen Gehry, Foster of Koolhaas.’ Dus wilde hij teruggrijpen op de Nederlandse koloniale architectuur. ‘Die is namelijk wel onderscheidend, kijk bijvoorbeeld in Indonesië en Zuid-Afrika; de Hollandse architectuur herken je altijd.’

Hij bladert driftig in het boek Dutch Overseas. Van voor naar achter en weer terug schieten foto’s voorbij van historische panden in de overzeese gebiedsdelen. Dan vallen de ritselende bladzijden stil bij een herenhuis op Java. Brede daken hangen als de tuinen van Babylon over de muren heen. Zelfs ondersteboven gezien is duidelijk dat dit hetzelfde soort gebouw is als het onderkomen van de ambassadeur in Senegal. ‘Dus geen nieuws onder de tropenzon’, vindt de ex-architect die, nadat hij zich uit protest uit het Architectenregister schreef, zich zo laat betitelen en dus zijn werk sindsdien ex-architectuur noemt.

Met enige verbazing las Weeber in SMAAK15 dan ook, dat zijn ontwerp geïnspireerd zou zijn op de Haagse wijk Marot. Het lijkt erop dat Buitenlandse Zaken huiverig geworden is voor de link met het kolonialisme. ‘Ze durven het woord niet eens uit te spreken’, schampert hij. ‘Dus zeggen ze maar dat het Haagse architectuur is. Ik vind het wel een goede grap: staat straks in de boeken dat ik een tropische variant van de Nieuwe Haagse School heb gemaakt. Maar zonder koloniale architectuur had ik dit gebouw nooit ontworpen. Mijn inspiratie ligt bij de koloniale huizen uit Indonesië en de oude Hollandse forten. En die houding in ons land is toch ook overdreven?’ , verbaast hij zich. ‘Het slaveneiland Goorée bij Dakar is UNESCO-heritage gebied. En dan zouden wij niet mogen refereren aan onze gezamenlijke geschiedenis.’

Centen

Niemand moet hem verkeerd begrijpen. De samenwerking met Buitenlandse Zaken was prima, al heeft ook dit project pijnpunten: ‘We hebben geleden onder de ambassade in Berlijn. Koolhaas werd steeds duurder en daarom moesten wij blijkbaar bezuinigen.’ Hij staat op en zoekt wat op zijn laptop. Op het scherm verstillen de beelden bij een foto van het toegangshek.

‘Er was zelfs geen geld meer voor een elektrisch motortje om die hekken open te doen’, briest hij. ‘En de ambassadeur moest de tuinaanleg uit zijn eigen budget betalen. En wat daarmee gebeurd is … de broer van de ambassadeur maakte het ontwerp. Je kunt toch niet een willekeurige broer, die toevallig wel eens een potlood vastgehouden heeft, de voortuin laten ontwerpen?! Daar komt iedereen binnen voor de recepties. Dus waar het echt vitaal wordt, gaan ze het ontwerp ineens veronachtzamen met een stenen hegjestuin. Dat gooit achteraf nogal een domper op het project.’

 

Doorbreken

Verder herinnert hij zich niet , dat over het project ooit overleg geweest is met Senegalese instanties. En zo ja, dan heeft het geen enkele invloed gehad: ‘Het sterke van Afrikaanse steden is, dat niks stoort. Alles kan en mag, zolang je maar niet op de straat zelf bouwt.’ Hij vindt die chaos een verademing tegenover de terreur van controle die in ons land heerst. En deze vrijheid van bouwen weigert de eigenzinnige architect te zien als rommelig. Hij vergelijkt het met boekenkasten: ‘Heb je enkel encyclopedieën staan, dan stoort een afwijkend boek. Nederland is zo’n boekenkast met encyclopedieën, waarin elke afwijking stoort. Maar je zult zien dat dit eens doorbroken wordt. In die Vinex-wijken gaan mensen toch een keer zelf aan het verbouwen. En dan wordt die gruwelijke eenvormigheid vanzelf doorbroken.’

‘Ik zeg al jaren dat we in Nederland niet zo rigide moeten zijn. Er is totaal geen vrijheid meer op het gebied van bouwen en wonen. Al die welstandscommissies en supervisors genereren werk voor ambtenaren en architecten. Op ons terrein heerst gewoon staatscensuur. Als ik minister van VROM was, zou ik de zaak echt willen ontregelen. Beperk je tot rooilijnen, bouwhoogtes en een paar hygiënische regels. En dan kunnen duizend ambtenaren zo naar huis of iets anders doen, want dan valt er ook niets meer te controleren.’

Of het mogelijk is deze starheid echt te doorbreken, weet hij niet zeker. ‘Want je hebt te maken met opdrachtgevers die met een burgerlijke smaak beslissen over je ontwerp. Zo wilde ik op de residentie in Dakar een helderblauw metalen dak, dan valt het dak weg tegen die strakblauwe hemels daar. Bovendien waren dan de hoofdkleuren van het gebouw, rood, wit en blauw geweest. Helaas is dat vervangen door een bruin pannendak, want dat vonden ze deftiger of zo. Zoiets kreeg ik niet omgebogen.’

Opportunisme

Als Carel Weeber praat over de smaak van de Staat, komt natuurlijk de voorgenomen sloop van de Zwarte Madonna naar boven. Zeker nu zijn Schiegevangenis in Rotterdam, even controversieel als zijn Haagse wooncomplex, is uitgeroepen tot monumentwaardig gebouw door diezelfde overheid. Hij lijkt die keuzes van de Rijksgebouwendienst te laten bezinken. ‘Die processen hebben met elkaar niks te maken’, verzucht hij. ‘Ze zijn het gevolg van puur opportunisme. De voorgenomen sloop van de Madonna heeft te maken met geld.’ Die twee ministeries herbouwen bleek goedkoper, maar daarvoor was wel meer ruimte nodig. En die extra grond was enkel in de buurt te vinden door de Zwarte Madonna te slopen.

Ook het benoemen van de Schiegevangenis tot Inspirerende Bouwkunst is opportunistisch in zijn ogen. ‘Rijksbouwmeester Jo Coenen wilde bij zijn afscheid de blits maken’, vindt hij eenvoudigweg. ‘Het is natuurlijk wel een edele vorm van opportunisme, maar het heeft niets te maken met een beleid of een visie van de overheid in relatie tot hun omgeving. Om het lullig te zeggen: het is elkaar veren in de reet stoppen en bij jezelf de grootste. Maar zo werkt het systeem nou eenmaal. Ik loop iets te lang mee om me daar nog druk over te maken.’

(publicatie: SMAAK, tijdschrift voor architectuur bij de Rijksoverheid – 2004)