Rotterdam schrijft

Wederopgebouwd

Column voor #Rotterdamschrijft over de wederopbouwarchitectuur in de stad.

Rotterdam is op zijn mooist in de ochtend, rond een uur of halfnegen. En dan vooral op die druilerig natte dagen als de wind rond de hoogbouw op het Weena huilt, terwijl in de minder blote straten nog de ochtendnevel hangt. Voorovergebogen schieten mensen de kantoorkolossen in richting hun bureaus en stapels dossiers. Ouders fietsen geeuwend door de verlaten straten, verlost van de jukken die zij zojuist op de pleinen van de scholen gedag gekust hebben. Vanuit de negentiende-eeuwse uitbreidingswijken die de verzengende zee van vuur overleefden, trappen zij het nieuwe stadshart binnen. Een hart dat in een razende bouwwoede werd wederopgebouwd en sindsdien verbouwd, herbouwd blijft worden met een tempo waar niemand van buiten de stad vat op heeft. Een tempo dat enkel begrepen wordt door de wegschietende en voorbij trappende Rotterdammers, die gelaten als altijd om alle bouwplaatsen en opgebroken wegen slalommen.

De sluimer van de nacht trekt op; de stad ontwaakt op schelle piepen van de trams die om de bocht komen. De bestuurders kijken verveeld voor zich uit, verkeerslichten gaan op rood, groen, oranje, rood, groen,

Het is deze grauwheid van de herfstige ochtend die de stad past. Haar naoorlogse identiteit kreeg vorm in thans al te vaak verafschuwde wederopbouwarchitectuur die qua uitstraling in niets onderdoet voor de grijsheid van de kille neveldag. Gebouwen die te vaak tegen de vlakte gaan tegenwoordig om plaats te maken voor gehaaste iconen van nieuwe generaties architecten, gedreven door headlines van reisgidsen en buitenlandse kranten die deze stad maar al te graag op een voetstuk plaatsen. Rotterdammers zouden van al die aandacht bijna trots worden.
Maar te vaak worden zij dan vergeten, achteloos opzij geworpen bij het oud vuil; de kloeke panden uit de tijd dat Rotterdam herboren werd. De panden worden vervangen, maar wat altijd zichtbaar blijft als restant van die tijd zijn de vierbaans snelwegen die het nieuwe hart doorklieven, getekend op statafels in het Timmerhuis dat onlangs ook een nieuw aangezicht kreeg ten gevolge van diezelfde sprong voorwaarts. En ja oké, vanaf de Meent is de aanblik nog hetzelfde, maar doe één pas terug en zie de blokkendoos van de nieuwbouw achter de geornamenteerde bruinrode baksteengevel opdoemen.

Zijn de fiere toonbeelden van die grauwe wederopbouw nog wel terug te vinden in de snelst veranderende stad van Nederland? Wie zoekt, die vindt. En wie durft te kijken, leert vanzelf de schoonheid inzien van de maakbare wederopbouw. Langzaam wordt duidelijk dat het de stad ook ernst lijkt met haar eigen geschiedenis. Was de sloopkogel nog het droeve lot van de oude Pauluskerk, enkele jaren later bleek Wall Relief no. 1 van kunstenaar Henry Moore zomaar bestand tegen de nieuwbouw van kantoorreus First een paar honderd meter van de Pauluskerk vandaan. In de Hoogstraat vinden we sporen van wederopbouwarchitectuur die opgeknapt worden en een tweede leven mogen leiden. En ook in het Hoogkwartier is de herwaardering van de wederopbouw te zien in de aanpak van het Industriegebouw, dat met niet eens zo heel veel fantasie te bestempelen is als het onbekende broertje van het alom bejubelde Groothandelsgebouw.

Natuurlijk verdwijnt niet elk toonbeeld van wederopbouw uit het Rotterdamse straatbeeld. Sommigen zijn te karakteristiek voor het stadshart om te verdwijnen. Zo is de Bijenkorf van de Amerikaanse architect Marcel Breuer nog steeds een blikvanger op de Coolsingel. Ik kan me herinneren dat ik naast diezelfde vierkante marmeren doos zat te wachten op de eerste bus naar huis en de stad zag ontwaken uit zijn nachtelijke sluimer. Het liefst op een nevelige zondagochtend. Ik denk dat ik hier mijn voorliefde voor dit moment van de dag opgedaan heb.
De daarachter gelegen Lijnbaan biedt het winkelend publiek nog altijd een autoloos flaneren dat bij opening van de straat uniek was in Europa. En natuurlijk torst zij nu een woonflat op haar dak, maar de oude Ter Meulen staat er nog maar mooi. Dat het snookercentrum, dat ik strompelend verliet om op die eerste bus te wachten, er niet meer zit, was te verwachten. Daarvoor is de stad te ver meegegroeid met haar tijd.

En begrijp me niet verkeerd. Die vooruitgang, het omhoogklimmen en in de maalstroom van de vooruitgang stappen is een goede zaak. Rotterdam heeft van verandering haar karakter gemaakt en dat geeft de stad van nu haar kleur en sfeer.
Het enige is, dat al het goede van nu niet klakkeloos in de plaats gezet moet worden van al dat goede van toen.

Gelukkig zijn er tientallen toonbeelden uit de feniksperiode van Rotterdam bewaard en kan de architectuurliefhebber in onze stad nog steeds zijn hart ophalen aan veelal deprimerend grauwe blokkendozen met geïntegreerde kunst die de wederopbouw karakteriseren. Het is niet eens vreemd als je voor het Technicon staat, net onder het spoor door bij het Hofplein, en bij jezelf denkt: wat is dit in godsnaam voor kolossaal gedrocht? Die gedachte hoort zelfs een beetje bij deze architectuur en geeft haar de charme die hoort bij de grootse panden in de stad die bedoeld waren om woning- en kantoornood te lenigen. Het moet een frons op je gezicht opleveren, pas dan neem je de tijd om er eens echt goed naar te kijken. Dan zie je de verborgen finesses van kaarsrechte betonlijsten, afgewisseld met onopvallende maar altijd sierlijke kunstwerkjes in de gevels.
Wie heeft er niet ooit met de rug naar het stadhuis gestaan en zich verbaasd afgevraagd: zat dat beeld van die vent op dat paard altijd al op die gevel? En juist dát is het wat echt kijken naar de wederopbouwarchitectuur zo spannend maakt. In het achteloos voorbijgaan blijft niet meer hangen dan de kille grauwheid van die winderige herfstochtend. Die ochtend die de stad zo ontzettend goed staat. Maar wie stil staat en echt even kijkt, ziet langzaam de contouren opdoemen van de drang naar voren in een tijd dat er nog nauwelijks geld was voor bombastische toeters en bellen in de architectuur.
Sterker nog, ik durf te beweren dat deze stad niet bovenaan de ranglijsten zou staan als zij niet was wederopgebouwd. Als niet architecten met beperkte middelen kozen voor visie en lef in een tijd dat de stad en het land vooral ruimte moesten creëren voor werken en wonen en leven zonder de financiën daarvoor rijkelijk voorhanden te hebben. Architecten die de stad aankleedden met minimale middelen maar door de handen ineen te slaan met de kunstenaars van hun tijd er toch iets van wisten te maken. Die mogelijkheden vonden in de ruwe, spaarzame bouwmaterialen om toch een beetje feest te brengen in het straatbeeld. Het is dat maar al te vaak ongemerkte feest dat geëerd mag worden in de architectuur en de kunst die de wederopbouw karakteriseert. Stap in het heden en de toekomst door juist het verleden te erkennen en omarmen. Het kan, want in Rotterdam kan alles als we dat met zijn allen willen.

Trek door de stad, vergaap je aan alles wat Rotterdam anno 2018 Rotterdam maakt. Besef dat de stad zoveel meer is dan twintig jaar geleden, toen ik op die grauwe ochtenden zat te wachten op eerste bussen terug naar huis. Maar kijk daarbij ook nog eens extra goed om je heen en zie de achter de moderne bombast schuilgaande schoonheid van weleer. Want het is aan die schoonheid te danken dat het Rotterdam van nu is was zij is.

Sweek vroeg mij als hoofdredacteur van Gers! magazine een van de ambassadeurs te worden van hun wedstrijd #RotterdamSchrijft. In het voorjaar van 2018 kon iedereen met schrijfambities een verhaal inzenden en kans maken op mooie prijzen. De verhalen van vijftien ambassadeurs werden gebruikt om aandacht voor de wedstrijd te genereren. De hersenspinsels van deze ambassadeurs en van de veertig finalisten werden gebundeld in Het Rotterdam Schrijft boek, dat op 24 april 2018 gelanceerd werd in de Bibliotheek Rotterdam.