Anwar

Anwar (40), woonzorgcomplex Steenplaat Rotterdam

Anwar kijkt uit het raam van zijn appartementje. Buiten maakt de Nieuwe Maas een flauwe bocht rond de Eschpolder. Een traag over het spiegelgladde water glijdende taklift verstoort het serene beeld. Hij vindt het uitzicht saai, maar de rust kan hij wel gebruiken. Zijn leven was een hel tot hij besloot naar Nederland te komen.

Anwar, is opgegroeid in de Egyptische hoofdstad Caïro en op zijn twaalfde ging hij beseffen dat hij anders was dan andere jongens. “Ik heb zoveel discriminatie meegemaakt in mijn leven, omdat ik op mannen val. Mijn familie schaamde zich. In Egypte kun je alles zijn, behalve gay. De man van mijn zus is van haar gescheiden omdat hij niet wilde dat zijn kinderen een homofiele oom zouden hebben.”

Hij heeft het nooit verteld, maar volgens hemzelf kon iedereen het merken aan hem. “Ik was zo bang. Mijn vader zei: ‘Je bent geen man, je ziet eruit als een vrouw en je speelt met poppen. Ik schaam me voor je.’ Als gay ben je niet veilig in Egypte. Nooit kon ik mezelf zijn. Er is geen gay community in het land, dus je loopt op straat, vertrouwt niemand, bent op je hoede. Als mensen ontdekken dat je homo bent, slaan ze je in elkaar of vermoorden je.”

Er gebeuren heel veel ‘ongelukken’ met homoseksuelen in Egypte. En in plaats van de daders, worden andere homoseksuelen gearresteerd en opgesloten. Het verdriet is op Anwars gezicht te lezen. Ook hij heeft vrienden verloren. En in 2003 heeft hij zelf acht maanden in de gevangenis gezeten. “Dat was het einde van mijn leven”, stelt hij. Hij probeert zijn tranen in te houden, maar de herinnering is veel te heftig. “We sliepen als honden op roosters op de grond. Bij het ochtendappel moesten we gaan liggen voor de andere gevangenen; de bewakers liepen over onze hoofden. Drie keer ben ik verkracht.”

‘Ze probeerden te ontdekken wie ik was, maar ik verborg mezelf. Ze noemden me de man met het vraagteken’

Als hij vrijgelaten wordt, moet Anwar zich elke dag melden op het politiebureau en hij moet mee met agenten om andere homo’s aan te wijzen. “Als je het niet doet, schieten ze je dood.” Als zijn moeder hem na lang smeken weer toelaat in zijn ouderlijk huis, sluit ze hem op in zijn eigen kamer: “Om me te beschermen tegen de buitenwereld, zei ze.” Er komt een imam die ‘de duivel’ uit Anwar moet drijven. “Hij sloeg me, sloeg me, alles zat onder het bloed”, huilt hij.

Na de afranseling vlucht hij met valse papieren naar Koeweit, waar hij werk vindt en als man zonder verleden leeft. “Ze probeerden te ontdekken wie ik was, maar ik verborg mezelf. Ze noemden me de man met het vraagteken.” In 2011 keert hij terug om zijn ouders te bezoeken maar wordt op straat aangevallen en bijna vermoord. Hij ligt een tijdje in het ziekenhuis en keert terug naar Koeweit. Als hij in 2015 wordt ontslagen, omdat uitkomt dat hij gay is, keert terug naar Egypte. Zijn ouders zijn ziek en hij wil bij ze zijn. Maar als hij op straat herkend wordt, moet hij weer halsoverkop het land uitvluchten. “Mijn vader herkende me niet meer door zijn ziekte. Ik heb hem voor het eerst van mijn leven geknuffeld en gekust en toen ben ik er vandoor gegaan. Voorgoed.”

Anwar kijkt naar buiten, veegt de lange stroom tranen van zijn wangen. “Op internet las ik steeds maar Nederland, Nederland als het ging om homorechten”, herpakt hij zichzelf een klein beetje. Als het niet over zijn ouders gaat, kalmeert Anwar iets. Maar hoe mooi het op internet ook klinkt, als vluchteling komt hij in de opvang tussen andere vluchtelingen die hem haten om zijn geaardheid. “Alsof ik terug was in een Egyptische gevangenis.”

Gelukkig zijn er ook veel goede mensen die je helpen, begint Anwar te stralen. Zoals de mensen van Humanitas. “Zij haalden me met behulp van verschillende andere organisaties en vrijwilligers uit de opvang, ook al mocht dat niet omdat ik nog in de procedure zit voor een verblijfsvergunning. Ik ben eeuwig dankbaar voor de hulp die ze me gaven. Voor de waardigheid en trots die ze me leerden voelen. Ik kan eindelijk mezelf zijn, na 40 jaar schuilen mag ik eindelijk zijn wie ik ben. Ik voel voor het eerst in mijn leven dat ik ertoe doe. Hier in de Steenplaat zijn de mensen lief. Ik ben zo enthousiast ontvangen.” Hij noemt één van de dames op de gang waar hij woont ‘oma’ en als hij beneden komt, wordt er vanuit de eetzaal driftig naar hem gezwaaid. “Ik heb het land waar ik geboren ben niet kunnen kiezen, ik heb mijn geaardheid niet kunnen kiezen en ik heb mijn familie niet kunnen kiezen. Nu kan ik dat wel. Ik heb hier nieuwe familie gevonden.”

Natuurlijk is er ook hier afkeuring. “Maar het is zoveel minder dan wat ik meegemaakt heb. En vergeet niet: hier heb ik de politie en de wet die me beschermen, in Egypte waren zij grote vijanden. Geloof me, ik ben bevrijd.”