Mandy van den Dries

‘Het lijkt me leuk de beste van de wereld te worden’

Mandy van den Dries is helemaal dol op kunstschaatsen. Zo erg, dat het haar hele leven domineert. Vijf dagen in de week staat ze op het ijs. Alles om de beste kunstschaatser in de wereld te worden.

Ze vraagt of ze haar handschoenen aan mag houden, maar dat is de bedoeling natuurlijk niet. Ook al is het koud op het ijs aan de Sportboulevard in Dordrecht, als Mandy van den Dries haar kür schaatst in haar officiële tenue gaat het als in het echt. Dus cirkelt ze zonder haar warme handschoenen over het ijs op de staccato klanken van The story of Mumble Happy Feet, de tune die John Powell maakte bij de animatiefilm over de gelijknamige pinguïn. Op rustige stukken zweeft ze haast over het ijs. Als de klanken in een stroomversnelling komen, zet Mandy haar figuren in en springt, zwiert en zwaait ze als een volleerd kampioene.
Na vijf minuten is het klaar en schaatst ze snel naar de kant, naar haar moeder die klaarstaat met een jasje en haar handschoenen. Tijd voor een kopje thee en een koekje in de warmte van de kantine. Ze grinnikt eerst een beetje verlegen, maar al snel komt ze op de praatstoel te zitten. Het suikerzakje dat ze onachtzaam leeggiet in haar mond, blijkt de nodige energie te geven.
“Bij kunstschaatsen ga je heel veel oefenen en trainen”, vertelt ze, voorzichtig de hete thee proevend. “We doen droogtrainen en we doen ballet en stretchen om lenig te worden. Schaatsen doen we altijd. Ook in de zomer.” Vijftig weken in het jaar, vijf dagen in de week, in de ochtend voor ze naar school gaat twee uur en nog een paar uur na schooltijd. Zelfs in de vakanties staat ze op het ijs, wel dertig uur per week. En dus alleen twee weken vrij van het schaatsen in de zomervakantie.
“Op vrijdag en zondag kan ik met mijn vriendinnen spelen, hoor”, vergoelijkt ze het intense schema. “Het enige wat ik misschien wel mis is een keer een weekje naar een pretpark. Of, nou ja, een dagje”, glimt ze.

De ijsprinses
Dan moet je wel heel veel van kunstschaatsen houden. En ook al is ze nog maar negen, Mandy is er helemaal gek op. Van Joan Haanappel of Sjoukje Dijkstra heeft ze nooit gehoord, de twee dames die vanaf de jaren vijftig de sport op de Nederlandse kaart zetten. De sport is daarna nooit meer helemaal uit beeld verdwenen: vanaf 1975 voorzag Haanappel het kunstschaatsen dertig jaar van commentaar voor de NOS en Eurosport.
Maar goed, daar heeft Mandy het dus niet van. “Ik ben de enige van school die erop zit en weinig van de kinderen die ik ken, hadden er ooit van gehoord voor ik erop ging. Ik zag de film De IJsprinses en die prinses ging kunstschaatsen in de film. Dat zag er mooi uit dus toen wilde ik het ook. Ik mocht van mama een proefles doen en daar werd ik er helemaal verliefd van. Alleen als ik moe ben, wil ik soms niet schaatsen maar dat komt bijna niet voor. Ik denk twee keer per jaar. Het lijkt me gewoon leuk de beste kunstschaatser van de wereld te worden.”
Dat vergt natuurlijk enorm veel doorzettingsvermogen. Je springt niet zomaar een Axel, een rittberger, de Lutz of de cherryflip. De verplichte sprongen, passen en pirouettes moeten inslijten tijdens de vele uren dat je op het ijs staat. Vervolgens wordt er een kür geschreven en moet ook die inslijten voordat je naar een toernooi kan afreizen. “Nu ben ik Basic Novice en doe ik één kür. Als ik iets ouder ben, ik zit dan in een groep voor kinderen van twaalf, mag ik twee küren doen”, straalt Mandy. “Een korte en een lange kür. En als ik dan bij die selectiewedstrijd genoeg punten haal, kan ik naar de Nederlandse Kampioenschappen. Ik wil heel graag wereldkampioen worden. Dat kan nu nog niet. Ik moet eerst veel wedstrijden doen en pas als ik senior ben, kan ik meedoen met het WK. Dan komt het goed, dan word ik wereldkampioen.”

Een dure droom
Mandy zette haar eerste stappen op het ijs toen ze vier jaar was. Sindsdien staat het hele leven van de familie Van den Dries in het teken van deze sport. “De eerste les weet ik nog”, legt Mandy uit. “Ik moest achter een stoel staan om het te leren en opeens kon ik het, in een dag.” Drie maanden later schaatst ze haar eerste wedstrijd. Ze heeft talent en verhuist van haar club in Zoetermeer naar een club in Dordrecht. Daar wordt serieus werk gemaakt van haar talent. Ze krijgt goede begeleiding, de club let erop dat ze niet overbelast raakt en biedt gelegenheid om ook gewoon kind te zijn. Voor de moeder van Mandy is dat belangrijk; ze steunt haar dochter, maar ze is niet het type tijgermoeder dat koste wat kost een carrière voor haar dochter najaagt. Zolang Mandy wil, zolang ze gelukkig is op het ijs, staan haar ouders achter haar droom. Een dure droom, dat wel, dus steun van het Ivo Opstelten Fonds en een sponsor is onontbeerlijk. Haar kleding en haar schaatsen, de ondersteuning vanuit de club met onder meer fysiotherapeuten en een diëtist, het dagelijkse reizen van haar woonplaats Rotterdam naar de sporthal in Dordrecht. Er gaat enorm veel geld en tijd in zitten. Haar moeder haalt haar schouders op; je hebt alles over voor het geluk van je kind, lijkt ze te gebaren.

Dat is wel heel oud
Mandy nipt intussen aan haar thee, ze rekt de tijd een beetje tot het einde van de training. Ze heeft niet zo heel veel zin meer om terug te gaan. “Ze zijn wel heel lief, maar de training is bijna afgelopen. Ik ga morgen wel weer trainen. Wat ik nu wil leren? Trippels en viervoudige sprongen; drie en vier draaien achter elkaar in de lucht.”
Ze kijkt haar moeder aan. Haar ogen krijgen vuur en dan zegt ze eenvoudigweg: “Moet lukken, toch?” Ze schiet in een aanstekelijke kinderlach. Mandy gelooft in haar droom. Eens wordt ze echt de beste kunstschaatser in de wereld. “Misschien wel als ik elf ben”, mijmert ze. “Ben ik dan al senior?” Haar moeder schudt haar hoofd en vertelt dat ze dan minstens achttien moet zijn. “Poeh, dat is wel heel oud, hoor”, zucht ze. “Dan woon ik misschien al op mezelf.” Nou ja, wat maakt het uit, lijkt ze dan te besluiten. Kunstschaatsen zal ze altijd blijven doen. En de beste worde, is gewoon leuk. Ook als je daar eerst zo oud voor moet worden. Punt uit.