Willem van Hanegem

Levende legendes

Gehard op de Rotterdamse grasmatten. Brede bikkels die hun teams bij de lurven pakten en knokten tot het laatste fluitsignaal. Hun namen komen als eerste op als gesproken wordt over dat cijfer 10. Zij zijn de levende legendes van de Rotterdamse voetbalclubs, voor eeuwig verbonden met het nummer van de stad. Niet dat ze daar zelf ooit bij stilstonden. Niet dat ze zitten te wachten op het stempel dat ze legendarisch zouden zijn. Op de groene zoden vielen de voetbalzonen met die prachtige bijnamen gewoon op: Jan Klijnjan bij Sparta, Willem van Hanegem bij Feyenoord en Frans Struis bij Excelsior – dé nummers 10 van 010. (foto: Lennaert Ruinen)

Het kanon

Jan Klijnjan (70) kwakkelt met zijn gezondheid. Het kanon, Sparta’s legendarische nummer 10 die met PSV’er Willy van der Kuilen het hardste schot van de competitie had, krijgt eind jaren tachtig een hersenbloeding en hij breekt in 2013 een heup. Tot twee keer toe is er een nieuwe heup geplaatst: “De tweede is er al zes keer uitgeschoten”, lacht hij zuur, zittend in een scootmobiel. Opschieten doet het niet, maar zijn arts belooft dat het goed komt. “Daar klamp ik me aan vast. En dat revalideren? Ik ben achttien jaar profvoetballer geweest; ik weet wat trainen is.”

Zijn eerste voetbalclub is DFC in Dordrecht. “Ik schoot zoveel ruiten stuk dat mijn vader me naar een voetbalclub stuurde; op mijn zestiende stond ik in het eerste en in mijn diensttijd zat ik in het nationale militaire elftal. We speelden het WK in Bagdad en werden vierde.”

Hierna krijgt hij aanbiedingen van topclubs. Het wordt Sparta: “Daar voelde ik me op mijn gemak.” De ploeg wint de beker en gaat Europa Cup 2 spelen. “We verloren van Bayern München. Eeuwig zonde, want ik denk nog steeds dat het anders had kunnen lopen met Sparta.”

Op Spangen blijft verder succes uit, dus zoekt hij in 1973 zijn heil bij het Franse Sochaux. “Ik heb van Sparta nooit meer iets gehoord. Dat steekt wel, maar Frankrijk was mijn mooiste tijd. Na elke wedstrijd dronken we champagne en in het weekend ging ik ’s nachts jagen of vissen met ploeggenoot Francis Piasecki. Aten we sla van paardenbloemen en wilde paddenstoelen.”

Na zijn loopbaan in het betaald voetbal, zegt Klijnjan de sport vaarwel. Hij verschuift moeizaam in zijn scootmobiel. “Ik heb een mooi leven gehad. En die heup krijgt me niet klein. Met mijn jeugdvriend Jan van der Straten heb ik gewed dat we honderd worden. Wie het langst leeft, betaalt de begrafenis van de ander.”

‘Ik schoot zoveel ruiten stuk dat mijn vader me naar een voetbalclub stuurde’

 

De kromme

Aan zijn karakteristieke lichaamshouding en onwaarschijnlijke effectballen heeft Willem van Hanegem (71) zijn bijnaam ‘de kromme’ te danken. Van die andere, minder bekende koosnaam van hem is in café ’t Vinkje op de Doklaan in Charlois weinig te merken. ‘Stille Willem’ dolt met de stamgasten in de kroeg van zijn vriend Marco, terwijl hij terugblikt op een leven lang voetbal.

Een leven dat begon naast het doel van Velox, de Utrechtse voetbalclub waar trainer Daan van Beek de reflexen van keeper Henk van Ledden testte. De ballen die naast zeilden, werden door Van Hanegem zo secuur teruggespeeld, dat de trainer hem bij de club vroeg. “Ik speelde op straat. Een club kostte geld en dat was er niet”, vertelt hij. “Ik kwam per ongeluk bij Velox.”

Na een paar jaar haalt Bob Janse hem naar het Rotterdamse Xerxes en in 1968 stapt Van Hanegem met Eddy Treijtel en Frans van der Heide over naar Feyenoord. Hier breken gouden jaren aan. Hij is de spil in een van de beste ploegen die ooit op Zuid rondliepen: “We hadden een geweldig team, we wonnen alles wat er te halen was.”

Tegenwoordig is Van Hanegem vooral bekend om zijn kritische columns in het AD en al even kritische analyses bij Sport 1: “Een beetje slap ouwehoeren over voetbal. Ik kan niet zonder. Ik neem me soms voor me er niet meer druk om te maken, maar dat kan ik niet. Ik ben mijn hele leven lang met voetbal bezig geweest, dan is het gek als ik ineens ga pianospelen.”

Dat hij daarbij als zeurkous te boek staat, laat hem koud. “Ik heb een mening en daar loop ik niet voor weg. Het doet zeer als het niet goed gaat met Feyenoord. Zou het me niet interesseren, dan hoefde ik me ook niet druk te maken. Maar dat doe ik wel; je wilt toch prijzen winnen?” Een meewarige glimlach trekt even over zijn gezicht. Dan is het weer tijd voor een dolletje.

‘Ik ben mijn hele leven lang met voetbal bezig geweest, dan is het gek als ik ineens ga pianospelen’

 

De snor

Het voetbaltalent van Frans Struis (66) viel op aan de Brede Hilledijk; buurtbewoners hadden al een paar keer gezegd dat hij zich moest opgeven voor de toelatingswedstrijden bij Feyenoord. “Ik was tien toen ik daar kwam. Om mijn kleine postuur en behendigheid werd ik meteen geselecteerd.” Een paar jaar later haalt Hans Kraaij sr. hem naar DFC in Dordrecht. “Ik kwam bij DFC in het laatste jaar dat Jan Klijnjan daar speelde.”

In 1974 wordt Struis gescout voor Excelsior. Het illustere duo Thijs Libregts en Bob Janse, die eerder  Van Hanegem naar Xerxes haalde en intussen bij de voetbalclub uit Kralingen werkte, haalt hem naar Woudestein. Libregts stelt Struis op als nummer 10. “Tot die tijd speelde ik als rechtsbuiten. Hij heeft van mij een echte nummer 10 gemaakt. Het was een bijzondere tijd. We waren semiprofs dus overdag werkte ik in de haven. ‘s Avonds en op zaterdag trainden we, op zondag speelden we onze wedstrijd. Ons beste jaar was 1980. We werden negende in de competitie en tijdens de afscheidswedstrijd van Wim Jansen wonnen we met 0-4 van Feyenoord. Lullig voor Jansen, maar we speelden ze helemaal zoek, dat was nog nooit gebeurd. Verder was Excelsior geen club van grote successen. Een keer de halve finale van de beker en een paar keer kampioen van de Eerste Divisie.”

Tien seizoenen speelt Struis, die nog steeds herinnerd wordt om zijn imposante vaalwitte borstelsnor, bij Excelsior. In 1984 wordt hij afgekeurd vanwege een slechte knie. “Ik heb nog dagelijks last van mijn knie. Een nieuwe zou een leuk idee zijn, maar het gaat nog wel.” Na Excelsior traint hij verschillende amateurclubs in Dordrecht, maar inmiddels geniet Struis van zijn rust. Thuis in Dordrecht en bij lekker weer in Renesse. Maar in zijn hart blijft het jongetje van de Brede Hilledijk altijd Rotterdammer.

‘We waren semiprofs dus overdag werkte ik in de haven’