Joyeuse Musabimana – Rwanda

Joyeuse Musabimana (1 juli 1996) is Rwandese maar haar wieg staat in Bukavu, een dorpje in Kongo. Haar ouders ontvluchtten de genocide van 1994 via Kongo en Kenia. De bloedige strijd tussen Hutu’s en Tutsi’s in haar thuisland loopt als een rode draad door haar leven. “Ik heb er veel onderzoek naar gedaan, wil begrijpen waarom het is gebeurd.” In Nederland wil ze aandacht vragen voor haar land. Zo deed ze mee aan de verkiezingen voor Miss East Africa Netherlands. “Je wordt direct nagekeken, hoor. Je bent dat kleine meisje dat zich bemoeit met kwesties waar ze niets vanaf weet. Veroordeeld worden voelt eng maar ik vind het ook zielig dat mensen bang zijn voor een tienermeisje Alsof ik de volgende president wil worden, of zo.”

“In Rwanda ben ik nog nooit geweest. Ik wil er graag naartoe maar ik wil tegelijk dat het land weer zo mooi wordt als voor de genocide. Zover is het nog lang niet. Neem die gekke regel wanneer je het land binnenkomt. Als je ouders zijn gevlucht, moet je excuses aanbieden voor wat er is gebeurd. Dat is toch vreemd? Ik heb er niets mee te maken gehad!

En ik wil er ook niets mee te maken hebben. Ik wil de ban doorbreken dat het uitmaakt of je een Hutu of een Tutsi bent. Ik voel liefde voor mijn land als Rwandese. Ik zal ook nooit zeggen wat ik zelf ben, anders dan dat ik Rwandese ben. Ik begrijp dat dit een bijzondere houding is, maar voor mij is het normaal. In mijn familie is de gedachte: heb je medemens lief. Het moet niet uitmaken of je Hutu of Tutsi bent, het gaat om je karakter, om je innerlijk.

In 1998 kwamen we aan in Nederland, mijn broertje was net geboren. Op Schiphol werden we direct in het asielzoekerscentrum geplaatst. Dat was zonder mijn vader, die kwam later pas aan. Van hieruit gingen we van de ene plek naar de andere: eerst Harderwijk, later Waddinxveen. Ik vond het bizar. Ik wist niet wat ik hier kwam doen, we konden nergens spelen en onze wereld was heel klein. Ik voelde me gevangen. Ik weet nog dat ik ruzie had met een meisje toen mijn moeder kwam vertellen dat we weg mochten. ‘Lekker voor je’, riep ik naar haar. ‘Wij gaan eerder weg dan jij.’ Nu schaam ik me voor wat ik zei, maar dat doe je als klein meisje.

We kregen een woning in Bergschenhoek en ik mocht naar de basisschool. Heerlijk vond ik dat. Mijn ouders wonen nog in hetzelfde huis maar Ik ben direct naar Rotterdam verhuisd toen ik de opleiding actrice op de MBO Theaterschool ging volgen. Als meisje uit Bergschenhoek vond ik Rotterdam heel shady, maar ik kende ook niet meer dan een paar uitgaansplekken. Ik voelde me een toerist toen ik er voor het eerst echt rondliep. Wel wist ik mijn angst van me af te schudden. Ik kan me herinneren dat wij in Bergschenhoek zo’n beetje de eerste donkere mensen waren. We werden op straat nagestaard en gepest op school. In Rotterdam is dat totaal anders. Er is harmonieuze diversiteit, het is een stad waar je mensen leert kennen voorbij de stereotypes. Ik kom telkens nieuwe mensen met heel andere interesses tegen en iedereen staat open voor elkaar.

Ik denk trouwens niet dat ik voor altijd in Rotterdam blijf. Over vijf jaar woon ik niet meer in Nederland. Australië trekt me. Gek he, want ik hoor dat daar veel racisme is. Deels is dat mijn fascinatie: hoe kun je als natie zo racistisch zijn, terwijl ik ook zoveel verhalen lees van mensen in Australië die er totaal anders over denken.

Ja, naar Rwanda wil ik ook graag terug, maar ik weet niet of dat is om er te wonen. De manier waarop ik ben opgevoed, wordt daar niet geaccepteerd. Zo geloof ik wel, maar niet in het instituut ‘De Kerk’ of de hiërarchie die daarmee gepaard gaat en dat valt slecht. Ik voel dat al als mijn oma bij ons op visite is. Ik ben wel Rwandees opgevoed, maar in een vrije variant. Ik ken de dansen, de gebruiken en de taal maar ik ken ook veel vrijheid. Ik mocht naar feestjes en ik mocht een vriendje hebben zonder daar direct mee te moeten trouwen.

Het is in Rwanda gebruikelijk je kinderen omlaag te halen in de hoop dat ze daardoor beter presteren. Ik geloof, net als mijn ouders, dat die manier van opvoeden niet werkt. Je moet kinderen aanmoedigen en stimuleren. Mijn ouders zijn veel vrijer van geest dan normaal is voor Rwandese gezinnen. Ik mag doen waar ik gelukkig van word. Dat heeft mijn moeder ook gedaan. De verpleegstersopleiding die ze volgde, vond ze niks. Toen werd ze kapster want dat was haar droom. Doen waar je gelukkig van wordt. Die les is er bij ons ingestampt.”