Germán Villafane – Peru

Zo’n 300 inwoners telt het dorpje Reçuay in 1967, het jaar dat Germán als negende en jongste kind in het gezin Villafane geboren wordt. De Rio Santa stroomt door het bergdorpje vol lemen huisjes met rieten daken. Als baby, traditioneel in een doek hangend op de rug van zijn moeder, valt Germán in een pan kokend water als zij tijdens het koken een epileptische aanval krijgt. Een volgende aanval wordt haar fataal: moeder Villafane verdrinkt in de Rio Santa.

“Ik had heftige brandwonden aan onder meer mijn rechterarm. Voor goede revalidatie was geen geld, dus ik kreeg boter op mijn arm, waarna die in doeken gewikkeld werd. Dat was niet fris. Deze doeken werden gebruikt voor van alles. Je handen drogen, de grond schoonmaken of de billen van de jongste baby afvegen. Dan werden ze gewassen en voor het volgende klusje gebruikt, waaronder dus ook het verzorgen van mijn brandwonden. Het vlees ging helemaal rotten. Daarom zijn de littekens zo diep en zo rauw. Toen ik enkele jaren later in Nederland kwam, moesten delen van mijn arm weggesneden worden om het allemaal weer een beetje toonbaar te maken.
Hoe ik in Nederland kwam, is een verhaal op zich. Zo’n twee jaar na het ongeluk werd ons dorp door een aardbeving getroffen. Organisaties als Terre des Hommes kwamen naar ons dorp en ik was kind aan huis bij de mensen in witte pakken: ik liep de tenten in en uit voor snoepjes. Mijn vader heeft de stoute schoenen aangetrokken en gevraagd of ze mij konden helpen.
Het idee dat ik ‘gerepareerd’ zou kunnen worden woog voor hem zwaarder dan de last me misschien nooit meer te zien. Ik ben onder de rok van de vrouw van dokter Kurt het vliegtuig naar Nederland in gesmokkeld en onderweg stilgehouden met snoep. Vanaf Schiphol bracht ze me rechtstreeks naar het AMC in Amsterdam. Er was geen afdeling voor kindjes met brandwonden, dus ik kwam tussen de terminale kankerpatiënten te liggen. Werd ik afgesnauwd door die oudjes dat ik niet zo zielig moest doen: zij gingen immers dood en ik niet.

De zuster die me verzorgde had een neef. Hij en zijn vrouw konden geen tweede kind krijgen en ze overwogen adoptie. Ze kwamen langs en waren meteen om. Het klikte enorm; ik zie hen vanaf dag één als mijn Nederlandse vader en moeder. Na mijn jeugd in Den Haag ging ik in Rotterdam studeren aan de kunstacademie. Ik woonde tegenover het Kasteel in Spangen met twee vrienden. We hadden een flipperkast staan en een pingpongtafel dus het was de zoete inval bij ons.
Het klinkt flauw, maar het voelt zo goed als ik in de trein naar Rotterdam zit. Dan ga ik naar huis. De stad is creatief en dynamisch en het is de plek waar mijn vrienden wonen. Ik houd van het volkse dat de wijken rond het centrum karakteriseert. Hier geen beleefd diplomatiek gelul maar eerlijk antwoord op je vragen. Wil je de weg weten, dan krijg je de juiste route of de simpele opmerking dat ze het ook niet weten. Niet meer en niet minder. Ik ben iemand van West, de plek waar de buren bij mooi weer met een kratje bier op de stoep gaan zitten en de boel in de gaten houden.

Mijn Nederlandse ouders hebben altijd contact gehouden met mijn vader in Peru. Rond mijn zestiende kreeg ik interesse in mijn afkomst; toen ging ik merken dat ik anders ben dan mijn vriendjes en mijn twee zussen Hester en Melisse. Ik ben wel boos geweest. Hij deed afstand van mij; dat voelt hard. In diezelfde periode werd Hester vermoord. Dat verlies kwam bovenop de vragen die ik had over mijn biologische vader. Ik raakte van het padje, stortte me in drank en blowen.
Met hulp van mijn ouders heb ik me weer opgebouwd. Ook heb ik begrip gekregen voor mijn vader in Peru. Ga er maar aanstaan. Zonder vrouw acht kinderen opvoeden in een bergdorp met lemen hutjes. Mijn oudste broer ging op zijn zestiende naar Lima om te werken. Hij sliep op straat en reisde in het weekend terug naar huis, een tocht van ruim negen uur, om zijn verdiende geld af te staan voor het gezin. En dat je als ouder dan je eigen gevoel opzijschuift en je kind afstaat. Omdat het voor het kind beter is. Mijn familie in Peru voelt zich tot op de dag van vandaag schuldig. Schuldig, dat ze me niet konden redden uit die pan, dat ze me niet konden onderhouden.
Internet heeft het contact makkelijker gemaakt. Vroeger schreef ik een brief en kreeg ik drie maanden later antwoord. Nu log ik in en lees ik: ‘He broer, ben je daar?’ De band is sterk en ik zoek mijn familie daar vaak op. Maar toch. Mijn bloed is Peruviaans, mijn hart is hier in Rotterdam.”