Feniks van Rotterdam

Van boerengat naar satellietstad. Afgeschreven als ‘mislukt’ en in de steek gelaten. Daarop volgt een neerwaartse spiraal waarin elke denkbare vorm van criminaliteit zijn rondje meedraait. Het geeft Hoogvliet in de jaren tachtig en negentig het gitzwarte imago van het eerste getto in Nederland. Inmiddels herrijst er een wijk die afrekent met haar duistere verleden. Wie in de jaren negentig uit Hoogvliet vertrok, kent grote delen nog nauwelijks terug. (foto: Jeroen Arians)

Hoogvliet is eeuwenlang een bescheiden polderdorpje, bestaande uit een dijk met wat huizen en een protestants kerkje. Tot grote buurman Rotterdam het gehucht annexeert in 1934. De havenstad heeft grootse plannen. Het dorp ligt op fietsafstand van de in deze tijd ontluikende petrochemische industrie in het Botlekgebied; ideaal om de arbeiders dichtbij hun werk onderdak te bieden.

Na de Tweede Wereldoorlog moeten alle zeilen bijgezet worden om de explosieve groei van de haven bij te benen. Al in 1947 krijgt Hoogvliet het predicaat satellietstad opgeplakt, en tussen 1949 en 1951 verrijst als eerste het buurtschap Nieuw Engeland naar voorbeeld van de Engelse New Towns: veel ruimte, licht, water en groen en gestapelde woningbouw.

Na de watersnoodramp in 1953, die ook delen van Hoogvliet onder water zet, komt Rotterdam met een aangepast ontwerp voor de wijk: acht afzonderlijke buurten rond een centrum. In 1955 gaat de eerste spade de grond in, waarna in vijftien jaar een slaapstad uit de polderklei wordt gestampt.

De Grote Plof

In eerste instantie doet Hoogvliet dat waarvoor het op de tekentafel van het stadhuis ontworpen is: in groten getale arbeiders naar zich toe trekken. Kees Hageman, in 1965 oprichter van jongerensociëteit De Spin, wat later partycentrum Flamingo wordt, komt in 1953 als zesjarig jochie naar Hoogvliet vanuit Delfshaven. “Er was nog schrijnende armoede door de oorlog. Je had het goed als je één keer in de week een bal gehakt op je bord had. Mijn vader kreeg werk bij de Shell. Omdat er in het centrum woningnood was, gingen wij in Nieuw Engeland wonen, bijgenaamd ‘De Oliebuurt’. Ik herinner me hoe klein Hoogvliet was, een gehucht. Ik zag het veranderen met de economische vooruitgang in de jaren zestig. Overal werd gebouwd, een geweldige tijd.”

Hans Elemans kent het Hoogvliet uit deze opbouwtijd niet persoonlijk. “Maar ik weet dat het toen een prima plek was om te wonen en recreëren. Veel groen, een modern winkelcentrum, voorzieningen als scholen, buurthuizen en een rijk verenigingsleven. Maar dat veranderde door De Grote Plof.”

Die plof is een explosie bij de Shell in januari 1968, gevolgd door een inferno dat deed denken aan de ergste dagen uit de Tweede Wereldoorlog. Er vielen twee doden op de raffinaderij, in de wijde omtrek waren alle ramen stuk en stonden gebouwen uit het lood. Zo drong het besef door hoe gevaarlijk een middelgrote stad nabij petrochemische industrie feitelijk is. Elemans: “Rijk, provincie en gemeente trokken hun handen af van Hoogvliet als groeikern. Zij richtten zich op de verder gelegen dorpen Spijkenisse, Barendrecht en Hellevoetsluis. Gelden om van Hoogvliet een satellietstad te maken, werden afgekapt en naar deze gemeenten gesluisd.”

Verval

Stedenbouwkundig was dit voor Hoogvliet rampzalig. De wijk kende, zeker in Oudeland en op Nieuw Engeland, vooral goedkope huurflats van lage kwaliteit. “De arbeiders in de Oliebuurt vertrokken als ze meer verdienden maar de betere woningen werden dus niet gebouwd”, weet Wim Middendorp. Hij kwam begin jaren zestig naar Hoogvliet met zijn ouders en werkte op de Oude Wal (Nieuw Engeland) in een hifi-winkel toen de buurt in verval raakte vanaf halverwege jaren zeventig. “Door automatisering en de oliecrisis waren in de petrochemie steeds minder mensen nodig. Arbeiders vertrokken en minder bedeelden uit andere delen van de stad en de Antillen werden weggestopt in deze goedkope huizen. Mensen die er vaak kort bleven en weinig binding voelden met de wijk.”

‘Als je eenmaal in een neerwaartse spiraal terechtkomt, trek je als buurt ook gajes aan’

De sociale cohesie verdwijnt met de medewerkers van de Shell. Vooral overigens, het moet gezegd maar blijft vaak onderbelicht in berichten over ‘getto Hoogvliet’, in Nieuw Engeland en Oudeland. In de meeste andere buurten van Hoogvliet is van verval weinig te merken, omdat hier een gevarieerder woningaanbod is. “In de Oliebuurt ontstond een monocultuur”, stelt Hageman. “Nu weet iedereen dat één afgezonderde groep binnen een grotere gemeenschap niet het recept is voor een geslaagde toekomst. Daarnaast: als je eenmaal in een neerwaartse spiraal terechtkomt, trek je als buurt ook gajes aan.”

Persoonlijk heeft Hageman nooit problemen gehad, in de Flamingo noch in zijn sociëteit Piki in de buurt Digna Johannapolder. “Wij lieten alle nationaliteiten binnen, we draaiden alle soorten muziek en iedereen danste en feestte tussen elkaar in. Het gaat erom dat je iedereen in zijn waarde laat en dat je durft te zeggen als er iets is dat je niet bevalt.”

Als winkelier op de Oude Wal in Nieuw Engeland, krijgt Middendorp wel te maken met de overlast van hangjongeren, geluidsoverlast en dreigend gedrag. De sfeer wordt steeds negatiever. Vanaf midden jaren tachtig is het feest compleet: de criminaliteit neemt zulke vormen aan dat Nieuw Engeland en Oudeland no-goareas worden waar prostitutie, drugs en zware criminaliteit de overhand hebben in de inmiddels verouderde, slecht onderhouden portiekflats. In de woorden van Middendorp: “Als er in die tijd iets gebeurde in Nederland, dan kwam het negen van de tien keer uit Hoogvliet.”

Magazine Platform omschrijft in 1985 de teloorgang van Hoogvliet als dat zij in het voorportaal van de dood zit: “Een overdaad aan met economische slijtage bedreigde hoogbouwflats, een gatenkaas als centrum, een onmogelijk metro-tracé en een min of meer aangeplakte ligging tegen het petrochemisch Botlek-industriecomplex, bestempelen Hoogvliet tegelijkertijd tot het Lelijke Eendje en de ontstoken blinde darm van Rotterdam.”

Aanpak

Elemans, die toen in Boomgaardshoek woonde, een buurt die bij een gemeentelijke herindeling was toegevoegd aan Hoogvliet, trekt het zich aan. “We wilden de politieke apathie ten aanzien van Hoogvliet doorbreken. We richtten een politieke partij op die met een allesomvattend plan voor de wijk kwam. In zes jaar werden we de grootste partij in de wijk en ik werd voorzitter van de deelgemeente.” Het ging om burgerbetrokkenheid. De participatiemaatschappij voor dit woord überhaupt was bedacht. “We introduceerden wijkbuurtbeheer. Iedere wijk kreeg een eigen overlegtafel waar buurtwerk, politie, middenstand, onderwijs, woningcorporatie en bewoners aanschoven. Zij bepraatten wat goed ging en wat niet en bedachten hoe dit op te pakken. Het ging om saamhorigheid en inzicht in elkaar krijgen. We gaven bewoners de regie over herinrichting van hun eigen wijk.”

Het mondt onder meer uit in vernieuwingsplan WIMBY – Welcome in my Backyard. “Hoogvliet er weer bovenop krijgen via een aanpak op sociaal, economisch en stedenbouwkundig gebied”, vat Elemans het samen. Onderdeel van het plan is sloop van vijfduizend van de slechtste huizen in de wijk: “Zo konden we het eenzijdige, goedkope, verouderde woningbestand vervangen door een diversiteit aan moderne woningen. We startten ook resocialisatie- en veilig-op-straatprojecten. Het ging daarbij om menselijk contact, niet om zoveel mogelijk politie-inzet.”

Een financiële boost voor de herontwikkeling – het infuus dat volgens tijdschrift Platform zo hard nodig was – komt als de NCRV de documentaire Eindpunt Hoogvliet, kroniek van een getto uitzendt in 1996. Volgens Elemans was dit het breekijzer richting Coolsingel en landelijke overheid om geld te krijgen voor de herstructurering.

Nieuw Engeland en Oudeland zijn de eerste buurten die aangepakt worden. “Hier heeft een totale metamorfose plaatsgevonden”, vindt Hageman. “De krakkemikkige huizen van de Shell zijn gesloopt en vervangen door goede sociale huur en koop.” In eerste instantie verplaatst de overlast zich naar de Meeuwenplaat, een andere buurt in Hoogvliet waar relatief veel goedkope woningen staan. Maar ook hier vindt de herstructurering op rigoureuze wijze plaats. De buurt waar Hageman al tientallen jaren zijn partycentrum Flamingo runt, is net zo goed onherkenbaar veranderd voor mensen die Hoogvliet in de jaren negentig de rug toekeerden.

Ook Middendorp ziet zijn buurt Nieuw Engeland nog altijd verder opknappen: “Slechte huizen zijn nu gesloopt en de samenstelling van de buurt verandert. Het is meer gemengd; dat was nodig om rust te krijgen. Ik woonde al in Nieuw Engeland toen de politie hier alleen met twee auto’s tegelijk durfde patrouilleren. Dat is nu wel anders.”

Feniks

Als Elemans in 2002 stopt als deelgemeentevoorzitter, is de beleving van Hoogvliet radicaal veranderd: “Op de veilgheidsindex schoof Hoogvliet van de achterhoede naar de voorhoede en nu komt ze nauwelijks nog negatief in beeld. Bewoners binden zich weer aan de wijk.” Er is wel een gevaar, weet Hageman: “Anno 2015 is het geld voor de herstructurering op, terwijl het werk nog lang niet is afgerond.”

Je kunt dus zeggen dat Hoogvliet als een feniks herrezen is uit haar eigen getroebleerde as, maar dat het de vraag is of deze feniks nu nog steeds levensvatbaar is. Mensen als Hageman en Middendorp wonen al ruim vijftig jaar in Hoogvliet en willen nergens anders wonen, dus binding tussen bewoners en wijk lijkt wel in orde. Maar Hoogvliet kent een risico, meent Elemans, die sinds enkele jaren in Zuid-Frankrijk woont: “De wijk ligt te ver van het stadscentrum om binding met de stad te hebben. En nu de deelgemeente vervangen is door een gebiedscommissie is er geen macht meer om het belang van Hoogvliet door te drukken. Zo zijn we terug bij de bestuurlijke situatie van eind jaren zeventig. We hebben allemaal kunnen zien waar dat toe geleid heeft.”

(publicatie: Gers! magazine – 2015)