Rob Hootsmans

‘Ik bouw geen monumenten voor mezelf’

Een man van boude stellingen. Met een gevoel voor vrijheid en een drang tot experimenten in prijsvragen. En een nuchter persoon die anderen de eer geeft van de projecten die tot stand komen. Rob Hootsmans is een bescheiden architect. (foto: Eran Oppenheimer)

 

Het Huis met de Hoofden; een herenhuis aan de statige Keizersgracht in Amsterdam. Het is een waar architectenverzamelkantoor. De Architekten Cie, de bureaus van Jo Coenen, Rap en Rap, Thijs Asselbergs en Marc Koehler. Op zolder, met uitzicht over de grachtengordel, het bureau van Rob Hootsmans. Van het statige stadspaleis waar welgestelde dames eens zacht ruisend door de gangen flaneerden, blijkt hier niets meer. Hier heerst de chaos van een architectenbureau in vol bedrijf. Lange rijen kasten vol boeken, de geur van vers gesneden piepschuim, stapels en stapels papieren met daartussen architecten die druk bezig zijn met de nieuwste ontwerpen en, haast achteloos verspreid door de ruimte, modellen van panden die ook in het wild te bewonderen zijn.

Tussen dit alles zit Rob Hootsmans. De groeven in zijn gelaat verraden een man met plezier in het leven. Zorgvuldig ongeschoren, de rechterhand rustend op de rug van de kantoorhond. Alex is een typisch voorbeeld van de stijl waarmee Hootsmans zijn bureau leidt. Hier kan veel. Experimenteren wordt aangemoedigd door veelvuldig mee te doen aan prijsvragen. Het teamverband wordt versterkt door in steeds wisselende groepen te werken aan opdrachten. En het is ere wie ere toekomt. Hootsmans is de eerste die namen noemt als een project via samenwerking tot stand gekomen is.

Een hond maakte zijn bureau compleet, vond hij. Of iemand er bezwaar tegen had? En niet alleen tegen de aanwezigheid van het beest, maar ook tegen het bij toerbeurt uitlaten ervan. Niemand maakte kanttekeningen; een paar dagen later liep Alex al rond.

Die drang naar een losse werkomgeving en de zucht naar het architectonische experiment is een overblijfsel van zijn eerste werkervaring; het bureau van Ben van Berkel. ‘Een man die in staat is zijn mensen te laten excelleren’, stelt Hootsmans. ‘Wellicht modelleer ik mijn bureau een beetje naar de sfeer die ik bij Ben gewend was.’ Hij staart even naar buiten, glimlacht en bagatelliseert op de hem kenmerkende manier. ‘Ik hoop dat mijn mensen zich gestimuleerd voelen het beste uit zichzelf te halen. Maar zo goed als Ben dat kon … daar kan ik niet aan tippen, hoor.’

Hootsmans komt via een ongebruikelijke omweg in het vak terecht. Sowieso had hij nog nooit aan architectuur gedacht, tot hij na drie maanden rechtenstudie besloot dat dikke wetboeken niet aan hem besteed waren: ‘Ik kom uit een lange lijn van artsen. Bij ons thuis ging het over patiënten en ziekten, helemaal niet over architectuur. Gebouwen? Die waren er nu eenmaal.’ De ‘oorverdovende saaiheid van rechten vervangt Hootsmans door een andere studie. Hij krijgt als tip eerst de HTS te doen en daarna de Academie van Bouwkunst te volgen. ‘Er was in die tijd veel werkloosheid. Door deze combinatie van opleidingen had je een bredere basis in het vakgebied – je leerde eerst de praktische kant van het bouwen – en kon je makkelijker aan een baan komen. Op de Academie werkte je overdag bij een architectenbureau en in de avonduren studeerde je.’

Via de Academie werkt Hootsmans eerst bij René van Veen en daarna een jaar bij Koen van Velsen. Al snel stapt hij over naar Ben van Berkel, waar hij na zijn studie blijft werken. Een geweldige tijd, noemt hij zijn periode daar; een werkomgeving waar hij ontzettend veel leerde. ‘Van Velsen was iemand die van elke spijker wilde weten hoe hij eruit zag, waar hij zat en hoe hij aangebracht was. Hij controleerde alles. Toen ik bij Ben binnenkwam, kreeg ik een stapel papieren in mijn handen gedrukt. Hij moest een paar weken naar het buitenland; of ik het project even wilde draaien. Een enorme vrijheid in combinatie met een gigantisch stimulans om de grenzen van het vak op te zoeken. Bijzonder leuk, leerzaam en inspirerend. De sfeer van elkaar tot grote hoogten drijven, ben ik daarna nooit meer in die mate tegengekomen. Dat mis ik nog steeds.’

Onvoorstelbaar breed

Hootsmans wint in 1995 de Prix de Rome en schrijft een brief aan Adri Duivensteijn, die in een interview had gezegd dat winnaars van deze prijs geen zak geld moesten krijgen van het rijk, maar een opdracht. ‘Daar wilde ik hem aan herinneren. Ik stopte een kopie van het artikel bij mijn brief, maar hoorde niets.’

Diezelfde brief stuurt hij ook naar Wytze Patijn, dan net Rijksbouwmeester. Ook daarop krijgt hij eerst geen reactie. Maar na een jaar gaat de telefoon. Het hoofd architectuur van de Directie Ontwerp & Techniek, Jeroen Geurts, belt met de vraag of hij op gesprek wil komen. Geurts geeft zo invulling aan het nog door Kees Christiaanse opgestelde beleid dat de Rijksgebouwendienst jonge architecten moest aantrekken. ‘De deal was drie jaar bij de dienst werken en onder je eigen naam projecten doen’, herinnert Hootsmans zich.

Hij is onder de indruk. ‘Ik wist wel dat er een Rijksgebouwendienst was, maar dat er meer dan 200 mensen aan architectuur werkten in allerlei disciplines? Veiligheid en klimaat, onderhoud en techniek. Alles was vertegenwoordigd en er was een enorme drang tot innovatie. De dienst wilde voorop lopen en het werk was onvoorstelbaar breed. Hier kreeg ik de kans vanaf het programma van eisen tot het ontwerp van de meubels betrokken te zijn.’

DDR-architectuur

Hootsmans begint met een jeugdgevangenis in Den Dolder. Het blijkt een snelle leerschool in hoe de overheid werkt. ‘De Dienst Justitiële Inrichtingen in Den Haag, de inrichting zelf met een nogal eigengereide directeur, onze eigen dienst met verschillende betrokkenen. Iedereen vond iets anders. Een bizar krachtenveld. Ik heb veel steun gehad van de projectleider, Ton Bruggeling. Hij heeft me door dit project heen gesleept. Die directeur ging dwars door alles heen. Er kwamen een duikcentrum en een bedrijfshal. Als jongeren met de bus op vakantie wilden, dan kocht de inrichting een bus en moesten ze die samen opknappen. Alles stond in het teken van hun toekomst. Dat strookte niet al te erg met het Haagse beleid, maar die man kreeg het geregeld.’

Daarna komt de renovatie van het kantoor van de Nationale Ombudsman. Een opdracht waar Hootsmans nog altijd trots op is. Hier viert hij zijn voorliefde voor boude stellingen bot. ‘Er was een vast budget waarmee ik een ranzig kantoorpand uit de jaren zestig kon opknappen. Als ik dat moest verdelen over het exterieur en het interieur, werd het vlees noch vis. Dus heb ik in overleg met de toenmalige ombudsman, Marten Oosting, geroepen dat het om de binnenkant gaat. Wij zouden ontwerpen voor de medewerker en de buitenkant mocht er uitzien als DDR-architectuur.’ Terwijl de Westerkerk op de achtergrond luidt, schiet hij in de lach als hij eraan terugdenkt. ‘Pure strategie, maar het werkte. In tien jaar tijd is er niets veranderd in dat pand. Ik kom er nog vaak en nog steeds krijg ik complimenten van de medewerkers.’

Eigen bureau

De Rijksgebouwendienst en Hootsmans zijn als een stelletje dat moeilijk op elkaar uitgekeken raakt. ‘Het was een wederzijdse liefde. Toen mijn periode van drie jaar erop zat, kreeg ik een nieuwe opdracht toegeschoven. En daarna weer eentje.’ Dat kabbelde een paar jaar zo door. Tot Hootsmans de knoop doorhakt en toch echt voor zichzelf begint. Het is de zucht naar een vorm van vrijheid die hij niet kon vinden bij de overheid. ‘Het is en blijft ambtenarij. Zo voldeed het piepschuim snijden niet aan de arbowet en als we ’s nachts eens doorwerkten moesten we dat ver van tevoren aanvragen en op de avond zelf de beveiliging omkopen met blikjes cola en pakjes sigaretten. En het belangrijkste: ik merkte dat ontwerpen op een dood spoor zat binnen de Rijksgebouwendienst.’

In 2006 vertrekt Hootsmans. Met medeneming van misschien wel het lastigste project uit de laatste decennia: de nieuwbouw voor de rechtbank Zwolle-Lelystad. Een project waar al vier architecten, en niet de minsten in het vak, op stukgelopen waren. In een paar maanden tijd stampt hij met een handjevol medewerkers een plan uit de grond dat met gejuich ontvangen wordt. Hoe dat komt? Zijn ervaring bij de dienst komt hem goed van pas. Hootsmans is goed bekend met het krachtenveld waarin projecten van de rijksoverheid tot stand komen. En hij bereidt zich goed voor; bestudeert de eerdere plannen, gaat in gesprek met omwonenden, de gebruiker. ‘We betrokken alle partijen om een beeld te krijgen van wat we wel en niet konden doen in Zwolle. Daarop is onze focus komen te liggen.’

Het leidt ertoe dat het project geruisloos aangenomen wordt. ‘Er kwam niet eens commentaar op de plannen toen ze ter inzage lagen. Terwijl de rechtbank al sinds 1985 bezig was met een uitbreiding.’

Magnum opus

Zwolle geldt als het grootste succes van Rob Hootsmans en zijn bureau. ‘Iedere architect zou een moord doen voor zo’n project. Het is een complexe ontwerpopgave in een lastige situatie met een ingewikkelde indeling ondermeer doordat de rechtbank gescheiden verkeersstromen heeft. Het ligt op een fantastische plek en de betrokkenen zijn ontzettend enthousiast. Wie wil dat niet?’

Bijkomend voordeel is de aanzuigende werking voor nieuwe opdrachten door het succes van Zwolle. Hootsmans is hot. Toch blijft hij nuchter. ‘Ik bouw geen monumenten voor mezelf. Dit bureau is zo plat als een dubbeltje en de successen die wij boeken komen tot stand doordat wij er met zijn allen keihard voor werken. Ik ben de eigenaar van het bureau maar zonder mensen als Monique Smit, Marlies Boterman, Daan Petri en Eric van Noord (ex-Rgd’ers) was het mij niet gelukt. Mensen hebben enorme vrijheid. We discussiëren veel en experimenteren er als gekken op los. Waar mogelijk werken we graag samen met andere bureaus, zoals met het bureau van Paul de Ruiter. En een concrete opdracht is mooi, maar in prijsvragen kun je letterlijk over de grenzen van het vak heen gaan. Dat houdt ons scherp.’

Hij kijkt weer even naar buiten, waar de zon net doorbreekt. Hootsmans heeft nog steeds wel opdrachten vanuit de overheid, maar zijn bureau heeft klanten uit allerlei hoeken. Wie in deze tijden van crisis een middelgroot architectenbureau kan opzetten en laten draaien, weet hoe de hazen lopen in het vak. Een voorzichtige glimlach verdiept de groeven in zijn gelaat. De toekomst ziet er voor Hootsmans’ bureau zonnig uit.

(publicatie: SMAAK, tijdschrift voor architectuur bij de Rijksoverheid – 2011, deel 4 in de serie ‘Een leven na de Rijksgebouwendienst’ over architecten die hun carrière begonnen zijn bij de overheidsdienst)