Het beste van twee werelden

Robert van der Kroft is al 43 jaar de tekenaar van Sjors en Sjimmie en Claire tekent hij al bijna dertig jaar. Hij pleit voor een opwaardering van de strip. Van zinloos tijdverdrijf voor kinderen tot volwaardig medium voor volwassenen. Het kan zelfs een gewaardeerd onderdeel worden van het totaalpakket aan middelen die de (communicatie)professional gebruikt: “Strips combineren de sterke punten van tekst en beeld en kunnen zo een gecompliceerde boodschap heel eenvoudig overbrengen.”

“Tekenen heb ik gedaan vanaf het moment dat ik een potlood vast kon houden. Ik denk dat hierin de invloed van mijn vader zichtbaar is. Hij was reclametekenaar en werkte vaak thuis. Papier was altijd genoeg voorhanden, dus ik tekende me suf. Nou is het zo, dat je de meeste dingen leert door ze vaak te doen. Of het nou fietsen is of zwemmen of seks. Bij tekenen is dat niet anders. Al moet je het ook nog eens echt heel leuk vinden, want er is geen goed onderwijs in. Je tekent weleens een uurtje op school bij handenarbeid of zo, maar iets als tekenvaardigheid bestaat niet.
Twee dingen zijn dus belangrijk voor een zich ontwikkelend kind. Ten eerste accepteren dat het eerst nergens op lijkt. Tot kinderen een jaar of twaalf oud zijn, kun je niet zeggen of iemand een geweldige tekenaar zal worden of niet: tekeningen van kinderen van een jaar of zes zijn allemaal ongeveer even slecht. Maar als iemand er echt plezier in heeft en aanleg heeft, dan kun je, het tweede belangrijke punt, dat zien als je goed kijkt. Neem mijn eigen tekeningen, die zijn net een jaartje minder slecht dan van leeftijdsgenootjes. Het lijkt nog steeds nergens naar, maar qua niveau loop ik een jaar voor op de andere kinderen. Als ouders of leraren dit aanwakkeren, kan iemand zich ontwikkelen tot een goede tekenaar. Bij mij was toevallig mijn vaders werk de aanjager.”

Van Donald Duck tot Sjors en Sjimmie

“Ik heb welgeteld zeven weken op de Kunstacademie gezeten. Drie weken in het eerste jaar, waarna ze me doorstuurden naar het tweede jaar. Daar vond een leraar mijn werk zo goed, dat hij aanraadde bij een uitgeverij langs te gaan. Ik stapte binnen en ze zeiden: ‘Oh tof werk. Je kan morgen beginnen bij de Donald Duck.’ Toen ben ik dus maar met die academie gestopt. Ik maakte hoofdverhalen in het weekblad en kleinere verhalen als De Grote Boze Wolf en Knabbel en Babbel. Wellicht klinkt het raar, want er waren strikte richtlijnen over waar elk veertje van die eend zit en hoe hij kon lachen, maar daar heb ik echt héél goed leren tekenen. Dingen als de opbouw van een verhaal, de opbouw van figuren, cameraposities en dergelijke. Alles om een strip te maken, heb ik bij het vrolijke weekblad geleerd.
Het klinkt als een jongensdroom, maar het is uiteindelijk weinig eer naar werk. Bij alles wat je doet, is de pay-off Door Walt Disney. Dus toen ik bij het stripblad Pep een eigen strip mocht gaan maken, was ik direct om. Ik mocht daar alle vormen van strips uitproberen, van karikaturaal tot realistisch. Dat was belangrijk voor mijn eigen stijl, die zich later vertaalde in Sjors en Sjimmie. Die strip stamt uit de jaren twintig en ik mocht hem in 1975 nieuw leven inblazen. Het was van oorsprong een gagstrip, dus zo’n strookje in de krant met een grapje. Ik heb er met de scenaristen Jan van Die en Wilbert Plijnaar een moderne invulling aan gegeven.
Die twee belhamels zijn aan me blijven kleven: ik ben nu al 43 jaar de tekenaar van Sjors en Sjimmie. Ik heb een geweldige samenwerking met Jan en Wilbert. Die laatste zei, toen ik met de strip begon, glashard: ‘Robert, door het anders te vertellen, wordt je strip beter.’ En de redactie van het blad waar de verhalen in verschenen, gaf hem de kans het dan ook maar beter te doen. We hebben de strip in al die jaren volledig naar onze hand gezet. Het speelt zich eigenlijk af op Schiermonnikoog, maar wij kwamen alle drie uit Rotterdam dus ook de strip verplaatste zich langzaam naar een grote stad. Het werd een heel hippe strip waar een metro in verscheen en de tram, er zat graffiti in en skateboarden. Het was zo succesvol dat het hele tijdschrift naar Sjors en Sjimmie vernoemd werd. Daarnaast kregen we de vraag van het Vlaamse vrouwenblad Flair of we ook voor hen een strip wilden maken. Mooi hoe dat tot stand komt: het zoontje van de hoofdredactrice was fan van Sjors en Sjimmie. Dat leidde tot de strip Claire.”

Helder en toegankelijk

“Qua beeld en opbouw speelt Claire sterk leentjebuur bij Sjors en Sjimmie. Het zijn beide korte strips met veel plaatjes en teksten. De meeste strips zijn bijna getekende films: wisselende cameraposities en perspectieven, inzoomen en uitzoomen, vaak ook kaders van verschillende grootte op één pagina. Ik ben teruggegaan naar de opbouw van Sjors en Sjimmie uit de jaren dertig. Toen waren er nog bijna geen films. De strip is dan ook veel meer opgezet als toneelspel. Je leest het alsof je in het theater zit. Het toneel is altijd op dezelfde afstand, je hebt altijd dezelfde camerapositie en een vaste kadrering. In mijn strips is dat niet anders. Zeer klassiek, maar dat heeft zijn voordelen en daarmee komen we ook op de link tussen strips en communicatie. Mijn strips zijn heel rustig om naar te kijken, ik wissel zelden van perspectief. Dat maakt het helder en duidelijk. Zeker voor mensen die niet fervent strips lezen, is dit toch toegankelijk gemaakt.
Daarnaast kun je het verhaal ingewikkeld en snel maken: je kunt veel tekst kwijt en je kunt sprongen in de tijd maken. Als Claire op het ene plaatje zegt dat ze de volgende ochtend een stoel gaat kopen, kan ik haar op het volgende plaatje een winkel uit laten lopen met een stoel in haar hand. Dan is het nacht geweest, ze is naar de bank geweest, heeft een stoel uitgezocht, misschien ook wel getest en ze heeft betaald. Voor de kijker is dat volstrekt logisch omdat je hersenen die tussenliggende periode invullen.
Volgens mij is dat een techniek die je in communicatie ook goed kan gebruiken. Mocht je er een soort wetmatigheid van willen maken, dan is dat: houd alles rond je boodschap heel rustig, dan kun je de boodschap zelf heel ingewikkeld maken. En je kunt in de boodschap heel veel informatie weglaten die je publiek zelf invult. Door die rust weten de mensen waar ze aan toe zijn en waar ze welke informatie kunnen vinden. Dat is wat ik in mijn strips ook doe en daarmee heb ik per ongeluk een van de meest toegankelijke strips gecreëerd die er bestaan in Nederland en Vlaanderen; ik ben een van de weinige tekenaars die deze klassieke opbouw nog toepast in zijn werk.”

‘Mocht je er een soort wetmatigheid van willen maken, dan is dat: houd alles rond je boodschap heel rustig, dan kun je de boodschap zelf heel ingewikkeld maken.’

Het beste van twee werelden

“De kracht van het beeldverhaal is niet te onderschatten, al gebeurt dat in ons land wel. Hier heeft de strip een kinderlijk imago, gevoed door mensen die niet verder komen dan de smurfenpoppetjes bij de supermarkt, Suske en Wiske of Donald Duck. Op zich mooie strips, maar er is zoveel meer. In de VS en Japan zijn strips heel groot en in een land als Frankrijk wordt de strip de negende kunst genoemd, iets wat het medium meer eer aandoet dan de beperkte blik die in Nederland overheerst. Kijk alleen al naar graphic novels waarin zeer volwassen thema’s aangeboord worden. Er is zelfs een journalistiek genre, graphic journalism, wat bij ons totaal onbekend is. Guy Delisle die zijn belevenissen in landen als Burma en Israël vastlegt in stripvorm of Joe Sacco die vertelt over zijn tijd in de enclave Gorazde tijdens de oorlog in Bosnië.
Daarbij zie je de kracht van strips als communicatie-instrument. De strip verenigt het beste van twee werelden. Sommige dingen kun je beter in tekst vangen, neem ‘een gevoel van rechtvaardigheid’. En andere dingen zijn juist beter te vatten in een beeld. Het interieur van een huis bijvoorbeeld. De strip is de tussenvorm tussen die twee. Neem ‘een gevoel van eenzaamheid’. Je kunt een man alleen in de woestijn zetten maar ook in de stad kun je zijn eenzaamheid visualiseren. In het tekstballonnetje zet je zijn abstracte gedachten uiteen. Zo combineer je beide communicatievormen tot een krachtig beeldverhaal waarin tekst en beeld elkaar versterken. De tekeningen van Joe Sacco geven op veel indringender wijze de situatie in de enclave weer dan je in tekst kunt overbrengen, terwijl zijn teksten de veel abstractere wanhoop weergeeft. Beelden raken mensen op gevoelsniveau en tekst raakt je intellectueel. Dat gecombineerd levert een veel rijker verhaal op. Die kracht wordt naar mijn mening ernstig onderschat.
Vergeet niet dat de strip, of de illustratie zo je wilt, vroeger een veelgebruikte techniek was in reclame; het werk dat mijn vader deed en waardoor ik geïnspireerd raakte. De illustratie was een zeer waardig alternatief voor de foto. Er zijn beroemde propagandavoorbeelden uit de VS, zoals de krachtige vrouw met blauwe blouse die haar spierballen laat zien en ‘We can do it!’ roept, een poster die in de Tweede Wereldoorlog de moraal van fabrieksarbeiders hoog moest houden. Of ‘I want you for the U.S. Army’ met de patriottisch geklede man die naar de kijker wijst, die in 1916 en 1917 jonge mannen opriep om mee te vechten in de Eerste Wereldoorlog. Maar ook de communistische regimes van de Sovjetunie, China en Noord-Korea gebruiken de tekening om hun boodschap meer kracht en vooral dramatiek te geven. Dat zijn zeer krachtige communicatiemiddelen.”

Doelgroep én onderwerp

“Dit zijn natuurlijk nogal beladen vormen van illustreren, zeker als het over de propaganda van meer totalitaire regimes gaat. Maar het basisprincipe is niet anders dan in strips. Bij een goede strip kunnen mensen zich verplaatsen in de personages, wat ervoor zorgt dat de boodschap beter beklijft. Kijk naar Sjors en Sjimmie, bedoeld voor jongetjes van een jaar of vijftien, en Claire, bedoeld voor vrouwen van rond de dertig. Dat zie je in onderwerpen die ik behandel en de verhalen die ik vertel. Ik verplaats me in de doelgroep, wie moet dat niet, en breng het verhaal in woord en beeld op een passende manier. Zo is de relatie met mijn vriendin verbeterd sinds ik Claire maak. Ik luister zo goed en onthoud het ook nog, grapt zij dan.
Zonder gekheid, je hoeft geen cowboy te zijn om geloofwaardige verhalen over cowboys te maken. Carl May heeft nooit één voet in de VS gezet maar schreef wel de beroemdste boeken over indianen en cowboys ooit. Het gaat erom je in het leven van een cowboy te verplaatsen en de doelgroep voor ogen te houden. Kijk twee kanten op: leef je in de boodschap in en doorgrond de doelgroep die je wilt bereiken. Dat vergt veel onderzoek. Vergelijk het met muziek maken voor een volle zaal mensen. Het is leuker als iedereen uit zijn dak gaat, dan wanneer jij je ingewikkelde eigen ding staat te doen en de zaal staat te wachten tot je klaar bent. Voor wie maak je het en hoe komt het over? Dat is het geheim van succes, denk ik. Of je nou André Hazes heet of Iggy Pop, zij luisteren goed naar hun publiek. Zij hebben de focus om te doen wat zij zelf graag doen op een manier die aanspreekt bij het publiek dat ze willen bereiken. Benader jouw boodschap vanuit het perspectief van je publiek.

‘Kijk twee kanten op: leef je in de boodschap in en doorgrond de doelgroep die je wilt bereiken’

Overal aanwezig

“Ik denk soms dat iedereen die in communicatie werkt, tenminste één keer een goed stripboek moet lezen. En als je dan één boek leest, duik dan eens in de Amerikaanse strip Maus van Art Spiegelman, een verhaal over de Tweede Wereldoorlog waarin nazi’s letterlijk ratten zijn. Keihard en indringend, maar omdat het is getekend, blijf je lezen. Foto’s uit die tijd zijn te gruwelijk om naar te kijken maar de strip van Spiegelman blijf je lezen vanwege die parodie met ratten. Terwijl je dus toch doordrongen wordt van deze buitengewoon moeilijke en pijnlijke episode uit onze geschiedenis. Wat je ervan kunt leren als communicatieprofessional: het narratieve en beeldende. Vergeet niet dat de strip overal om ons heen aanwezig zijn. Van handleidingen van de Ikea tot tekstballonnetjes die WhatsApp gebruikt en van striphelden die figureren in de bioscoop tot de visualisatie van computergames en infographics die je in tijdschriften terugvindt.
De strip op zich heeft een imagoprobleem. Ik probeer daar met collega’s wel wat aan te doen, via het CrossComix stripfestival bijvoorbeeld, waar we ook een verbond gesloten hebben met partijen als het Natuurhistorisch Museum en de Kunsthal in Rotterdam. We laten zien dat strips een grote rol spelen in culturele uitingen maar ook in het dagelijkse straatbeeld. In de Rotterdamse Witte de Withstraat zijn de antiterreurbakken beschilderd door stripmakers en graffiti-artiesten en er is een jazzroute door de stad die langs getekende plakkaten van befaamde Rotterdamse jazzmusici voert.
Langzaam zie ik wel verandering optreden in de waardering voor strips. Mijn collega Aimee de Jongh is bijvoorbeeld voor NRC Handelsblad naar Lesbos geweest. Ze mocht vluchtelingenkampen op het eiland bezoeken en er naderhand een beeldverhaal over maken. Dan zie je weer wat de toegevoegde waarde van de striptekenaar kan zijn: op die plekken mag niet gefotografeerd worden. Zij schetst een direct en indringend beeld van het leven in de kampen en zij beschrijft wat die mensen meegemaakt hebben. Een verhaal dat niet op een andere manier zo indringend gebracht kan worden.
Ook in het bedrijfsleven komt de strip langzaam op, maar je moet het leren zien als strip. Je kent vast wel het getekende verslag van een vergadering of bijeenkomst, iets wat de laatste jaren sterk opkomt bij bedrijven. Dat is niet anders dan een strip: een compleet verhaal in één grote tekening.
De grap is, dat bijna iedereen in zijn jonge jaren strips gelezen heeft, maar dat de meesten vergeten zijn ermee door te gaan en het dus ook niet meer als zodanig herkennen. In de snelle wereld waarin wij tegenwoordig leven, kan de strip juist een ideaal middel zijn om snel gecompliceerde informatie over te brengen bij een grote groep mensen. Jan Peter Balkenende had het over Jip en Janneke-taal toen hij minister-president was. De strip is daar wat mij betreft een mooie doorvertaling van.”