André de Baerdemaeker

‘Tienduizend vogels per jaar, dat is geen hobbyisme’

Vogelklas Karel Schot is een begrip in de stad. Sinds de vroege jaren vijftig worden er gewonde en zieke vogels verzorgd en, als zij opknappen, weer vrijgelaten. André de Baerdemaeker is sinds 2010 voorzitter van de stichting. Als tienjarig jongetje kwam hij binnen en was meteen verkocht.

De kleine André en zijn vriendjes vonden een gewonde duif bij hen in de straat. Zij kregen de tip naar de Vogelklas te gaan. Daar hadden zij nog nooit van gehoord, maar het was een kippeneindje van hun straat naar de Vogelklas aan het Afrikaanderplein. Zij brachten het zielige hoopje vogel erheen en kregen een rondleiding van een allervriendelijkste dame. “Ze zei dat er een jeugdgroep was en dat we konden meehelpen als we oud genoeg waren”, herinnert André zich. Hij was direct verkocht. “In onze buurt was weinig groen en hier kwam ik in een soort dierentuin terecht. Ik moest nog een half jaar wachten, want je mocht pas vanaf je elfde in de jeugdgroep. Het was het langste half jaar van mijn leven.”
Grappig genoeg, begon Karel Schot zijn leven als vogelredder ook met een gewonde duif, weet André. “Hij was in 1950 net begonnen als leraar op de Ericaschool in Bloemhof toen hij de zieke duif vond en mee de klas in nam. Samen met zijn leerlingen verzorgde hij de vogel. Die merkwaardige actie zoemde al snel door de wijk, waarna er vaker zieke vogels gebracht werden naar ‘de vogelklas’ van meester Schot. We hebben hier nog foto’s uit die tijd. Dat een leerling zijn sommen zit te maken met een duif op zijn hoofd en een kauwtje op zijn lesboek. Of van de klas die een dictee maakt terwijl de leerlingen hautain bekeken worden door een gewonde reiger. Op den duur zaten er meer vogels dan leerlingen in de klas.”

Eenmaal vrijwilliger sjouwde de kleine André met bakken voer. Ook schepte hij vogelpoep en spoot hokken schoon. “En één keer in de week gingen we met het busje naar de Oude Maas of Voorne Putten om vogels los te laten.” Terwijl zijn vriendjes gingen voetballen en achter de meisjes aangingen, verloor André zijn hart voor eeuwig aan de Vogelklas. Hij ging zelfs de lerarenopleiding biologie doen, geïnspireerd als hij raakte door zijn vrijwilligerswerk. Acht jaar stond hij voor de klas tot André werk vond als stadsecoloog, zijn vaste betrekking naast de functie van voorzitter van de Vogelklas.

Vogelfluisteraar
Altijd als hij bij de Vogelklas is, maakt André een rondje langs de hokken. De medewerkers noemen hem gekscherend de vogelfluisteraar, want hij kan elke vogel ‘lezen’. Hij lacht bij die benaming en wijst naar een knobbelzwaan. “Zie je hem in zijn verenkleed pikken? Dat betekent dat hij op zijn gemak is.”
Even later staat André bij een hok met een paar spreeuwen. Ze kwetteren er vrolijk op los: “Spreeuwen zijn groepsdieren. Ze opereren niet in een vast verband, vogels komen en gaan, maar ze zoeken elkaar wel altijd op. Hebben we één spreeuw in een hok, dan zit die zielig voor zich uit te staren. Zodra er een spreeuw bijkomt, leeft het diertje op. Dat is ook beter voor het herstel. Maar blauwe reigers moet je juist weer niet bij elkaar zetten want dat zijn net kibbelende oudjes. Door goed te observeren, ga ik dit soort dingen herkennen. Ik let op lichaamshouding, volg de blik van de vogel, kijk wat hij doet. Het is eigenlijk heel makkelijk vogels te begrijpen, want ze bewegen zo veel.”
Via hokken met kauwtjes, Vlaamse gaaien en een bonte specht, komt André bij een vierkant gebouw. Dit is de quarantainezaal, waar dieren zitten die net binnengebracht zijn. De kleine quarantainehokken hebben net nieuwe roestvrijstalen roosters gekregen, mogelijk gemaakt met steun van Stichting bevordering van Volkskracht. “Door deze open roosters valt de ontlasting van de vogels in een lager gelegen bak, zodat de zieke dieren zelf niet onder de poep komen te zitten”, legt André uit. Een collega opent een van de hokken en pakt er een drie weken oude duif uit, het diertje is niet meer dan een verfomfaaid hoopje veren. André helpt hem even met de sondevoeding, waarna hij verder gaat met zijn ronde.

Elk leven heeft waarde
Iedereen kan een gewonde vogel langsbrengen, dag en nacht. Naast de ingang van de Vogelklas aan het Afrikaanderplein staat een aantal hokken waarin je een vogel kunt achterlaten. Als voorzitter richt André zich op professionalisering van de organisatie: “We hadden vroeger het imago van dierenknuffelaars die maar wat aanrommelen. Maar we krijgen tienduizend vogels per jaar binnen. Dat heeft met hobbyisme niks te maken. We moeten goed weten wat we doen. Elke vogel die te behandelen is, helpen we. En nee, niet elke vogel is te redden. Ongeveer de helft van de vogels moeten we uit hun lijden verlossen. Dat doen we waardig. Onze boodschap is dan ook: elk leven heeft waarde. Ga nooit zelf rotzooien. Je kunt er vogelgriep aan overhouden als je thuis een snotterende eend in je badkuip verzorgt. Evenmin is het goed om een duif met de papagaaienziekte in huis te nemen. We weten wat we doen, we beschikken over de juiste middelen om vogels goed te verzorgen én we weten welke maatregelen we moeten nemen om ons personeel te beschermen.”
Een andere belangrijke reden om zieke vogels altijd bij de Vogelklas af te geven: “We kunnen patronen signaleren. Een paar jaar geleden brak de eendenpest uit in de Hoeksche Waard. Die ziekte ontdekten we omdat we ineens vijf eenden per dag uit dat gebied binnenkregen. Zo’n plotselinge toename van zieke vogels roept vraagtekens op en dat onderzoeken we.”

De Vogelklas is veranderd van een klassieke opvang waar mensen met de beste bedoelingen hun stinkende best doen, in een professionele organisatie die de werkwijzen geformaliseerd heeft en waarin een duidelijke hiërarchie is wie welke taken wel en niet mag uitvoeren. Ook op andere plekken wordt onderkend dat de Vogelklas haar zaakjes goed op orde heeft: “Ons quarantainesysteem, ontwikkeld door Koos en Jan die nog als leerling bij Karel Schot in de schoolbanken zaten, wordt op steeds meer plekken overgenomen”, vertelt André trots. “En we werken inmiddels samen met Rijkswaterstaat en Sea Alarm bij grote olie-incidenten. De expertise die we in huis hebben, wordt steeds vaker ingeroepen. Onlangs nog toen Bonaire een olie-incident had en er enkele met olie besmeurde vogels in hun geïmproviseerde opvang terechtkwamen. Ze wisten niet goed hoe ze die dieren schoon moesten krijgen, dus we hebben geassisteerd. Het is mooi te zien dat de kennis die we in ruim vijfenzestig jaar hebben opgedaan steeds breder benut en gewaardeerd wordt.”

De beste opvang
De Vogelklas werkt met ruim honderd vrijwilligers. “Dat varieert van iemand die één keer in de maand de hokken schoonveegt, tot mensen die hier bijna dagelijks bezig zijn.” Dat klinkt als veel mensen, maar het is niet genoeg om al het werk aan te kunnen. “We vangen steeds meer vogels op uit een steeds groter gebied. Dat komt doordat andere vogelcentra sluiten en doordat dierenambulances fuseren en dus ook in een groter gebied opereren.”
Er is behoefte aan betere huisvesting. De quarantaineruimte zou uitgebreid moeten worden met een goede behandelkamer, stelt André. En de schuur naast deze ruimte doet dienst als kantoor, kleedruimte en kantine. “Die functies horen niet in één gebouwtje”, is de nuchtere en accurate constatering.
André kijkt om zich heen. “We zitten op het terrein van de oude volkstuinen van de school waar Karel Schot docent was. Een historische plek voor ons. Maar deze plek is berekend op vijfduizend vogels per jaar. Intussen vangen we er twee keer zoveel op. We groeien uit onze jas. Gelukkig krijgen we de ruimte van de gemeente om te kijken naar een goede oplossing. Welke dat wordt, weet ik nog niet. Maar ik wil in ieder geval dat Vogelklas Karel Schot over vijf jaar de allerbeste opvang van ons land is.”