Adil Belkadi

Taekwondo is mijn drugs

Adil Belkadi (18) heeft een droom. Een grote droom: namens Nederland deelnemen aan de Olympische Spelen van 2020 in Tokyo als taekwondoka. De jongen uit Bloemhof leeft zijn droom met ijzeren discipline. “Iemand uit deze wijk die op de Olympische Spelen staat… ik hoop een voorbeeld te kunnen zijn voor de kinderen in de wijk.” (foto Marieke Odekerken)


Het oude gymzaaltje van het Avicenna College aan de Putsebocht. Een vierkante doos zoals er vele tientallen staan in Rotterdam. Bakstenen muurtjes, met matte folie afgedekte ramen hoog in de gevels zodat de leerlingen niet afgeleid kunnen worden door wat zich buiten op het speelplein afspeelt.
Stipt om 18.00 uur staan zo’n dertig kinderen van tien tot veertien jaar in nette rijen achter elkaar. Hun ouders kijken trots vanaf bankjes aan de zijkant toe. De kinderen buigen en volgen vervolgens de commando’s voor de warming-up op. Rennen, rekken en strekken, springen en bukken. Adil Belkadi kijkt streng toe. Hij wil respect en discipline zien. Maar in zijn ogen ligt ook de twinkeling van een trainer die er veel lol in heeft. De kleine, pezige Adil ademt taekwondo en brengt dat met liefde en aandacht over op de kinderen in het zaaltje.

Een strikt sportersleven
Adil droomt van de Olympische Spelen van 2020 in Tokyo. Voor die droom leeft hij een strikt sportersleven naast zijn havo-opleiding. Elke dag traint hij. Hij doet mee met internationale toernooien om punten voor de Spelen te pakken. Ook gaat hij regelmatig op trainingsstage in het buitenland om extra ervaring op te doen en om te wennen aan spelen onder andere klimatologische omstandigheden dan in Nederland.
“Ik leef voor deze sport; taekwondo is mijn drugs”, vertelt Adil later in een kamer op de club in de Adriaen Nimantsstraat, een zijstraat van de Groene Hilledijk op Zuid. Hij glimlacht als hij denkt aan zijn strikte dagindeling: vroeg opstaan om eerst te trainen voor hij naar school gaat. Na schooltijd komt hij weer naar de club om te trainen en te eten, waarna hij thuis zijn huiswerk maakt voor hij naar bed gaat.
“Elke dag, ja”, constateert hij nuchter. “Als we lang trainen, blijf ik slapen op de sportschool. Op een opblaasbedje. Ik moet er de volgende ochtend toch weer zijn. In examenperiodes willen mijn ouders me wel echt elke dag thuis zien elke dag. Ze willen dat ik mijn diploma haal, dus daar zijn ze streng op. En terecht.”

Hard werken en geluk
Op zijn zesde komt Adil in aanraking met taekwondo via zijn oudere broer. “Ik kwam altijd met mijn vader kijken naar zijn wedstrijden. Ik wilde er ook meteen op, maar mijn vader vond dat eerst geen goed idee. Thuis was ik heel druk en had nooit lang interesse in iets. Hij was bang dat ik er na een paar weken weer af zou gaan.” Na lang aanhouden, mag Adil een keer meetrainen. Direct blijkt dat hij er aanleg voor heeft.
Als zijn broer vanwege een blessure moet stoppen met taekwondo gaat hij Adil begeleiden bij zijn trainingen. En in 2012 bereikt Adil als eerste van zijn club het Nederlands team. “Dat is hard werken en geluk hebben.” Adil lacht voorzichtig: “Op je dertiende kun je niet zeggen dat je hard hebt gewerkt, vind ik. Mensen in de club zeiden dat ik echt goed was. Ik werd opgegeven voor een training op Papendal, waar wel 300 jongens kwamen. Er werden er vijftien uitgekozen om mee te trainen met het Nederlands team en uiteindelijk werd ik toegelaten.” Zo krijgt zijn droom om een grote sporter te worden en naar ‘Tokyo 2020’ te gaan langzaam steeds meer vorm.

Balanceren
Sport is een behoorlijk dure hobby, zeker als een sportieve topprestatie jouw droom is. Helaas kan de Taekwondo Bond Nederland, op grond van het topsportbeleid van NOC*NSF, geen financiële steun bieden aan taekwondoka’s. Adil blijft er nuchter onder, ook al heeft het soms consequenties voor de sportieve prestaties die hij kan leveren. “Je moet alles zelf organiseren en betalen, maar als je bepaalde wedstrijden overslaat, word je niet voor grote toernooien geselecteerd. Zo moest ik vorig jaar een belangrijke wedstrijd overslaan – dat kwam trouwens door school – en mocht ik daarna niet naar het EK onder 21. Daardoor miste ik belangrijke punten voor mijn olympische kwalificatie.”
De anekdote toont een van de grote problemen waarmee Adil kampt: het goed balanceren tussen zijn sportieve ambities en het afmaken van de havo. “Het ging vorig jaar moeilijk op school en ik ben ook blijven zitten. Ik moet echt elke dag trainen, maar ook op school moet ik blijven presteren. Om beter te plannen, helpt mijn zus me nu en ook mijn gymdocent op school helpt mee. Ik vind steun op school, bij mijn zus, bij de docenten op mijn club Abdel Kwan en bij mijn coach Zouhair Taibi, die me begeleidt in mijn droom.”

Werk en steun
Maar daarnaast moet er toch geld in het laatje komen om de kosten voor zijn sport te dekken. Adil kreeg een bijdrage van het Ivo Opstelten Fonds. Ook Rotterdam Topsport ondersteunt hem, niet financieel maar wel via bijvoorbeeld een abonnement op een fitnessschool. “Zo kan ik krachttraining doen om sterker te worden.”
Adil werkt ook voor zijn sport; eerst als vakkenvuller, maar Abdel Kwan bood hem een plek aan als trainer van kinderen in de Afrikaanderwijk. Werken en sporten tegelijk, dus. Hij staat vier dagen in de week voor de groep in het zaaltje naast het Avicenna College. “Doordat ik les geef, kan ik sporten en werken tegelijk. Dat scheelt weer een beetje want het is lastig alles te combineren.”

In het zaaltje aan de Putsebocht oefenen de kinderen hun slag- en schoptechniek. Adil loopt rond, kijkt geconcentreerd. Hij buigt voorover en spreek een meisje zacht toe. Hij doet een stoot voor, met kracht en souplesse, waarna zij de beweging met zichtbare inspanning op haar gezichtje herhaalt. Voorzichtig buigt Adil haar hand om de houding wat te corrigeren. “Zo”, fluistert hij. Waarna zij de stoot perfect nadoet. Tevreden kijkt hij op en speurt of hij nog ergens kan helpen.
Tijdens het opruimen, verzucht Adil dat hij niet zonder taekwondo kan. “Een week lang niet sporten, is gewoon niet goed voor me. Zit ik thuis te studeren voor een toets, dan maak ik schopbewegingen in de lucht. En na het leren ga ik een rondje joggen. Ik moet bezig blijven. Ik denk ook weleens dat ik mijn toetsen minder goed maak als ik helemaal niet sport.”

Veel doen maar ook veel laten
Hij heeft sport nodig om zich goed te voelen. Maar altijd met je sport bezig zijn, heeft ook een keerzijde. “Ik zie veel vrienden en familie nauwelijks. Dat is voor mijn ouders weleens moeilijk als ze op visite gaan bij familieleden. Maar ik ben straight: ik sport niet voor mezelf alleen. Ik ga niet zoveel geld investeren en zoveel achter me laten voor de fun. Ik wil alles eruit halen wat voor mij mogelijk is. Sport en school staan op 1 en de rest boeit me nu niet. Ik wil mijn droom bereiken. Ik drink niet, ik rook niet en ik ben altijd bezig met mijn voeding. Ik speel nu bij de senioren in de categorie tot 54 kilogram maar bij de jeugd zat ik in de categorie tot 45 kilogram; dat was onder mijn gewicht. Maar als je via de Bond eenmaal in de ene gewichtsklasse speelt, is het moeilijk wisselen. In een andere klasse zit al een andere speler en er is maar plek voor één persoon per gewichtsklasse. Voor de weging bij wedstrijden moest ik soms wel tot acht kilo afvallen. Dan stond ik als een botje, een skelet, bij de weging. Mijn vrienden hebben me zien huilen van de honger.”

Die grote droom
Hij heeft het er allemaal voor over. De trainingsstages in het buitenland, het balanceren tussen school, vrienden, familie, werken. Tokyo 2020 gaat lukken. Hij bekijkt zijn handen, die op de rand van een turntoestel leunen. Zijn handen die zo belangrijk zijn in zijn discipline. “Tokyo wordt mijn hoogtepunt. Als je uit Bloemhof komt en je staat op de Olympische Spelen…” Hij frummelt wat met zijn vingers, lijkt even in zichzelf te keren. “Ik hoop dat ik een voorbeeld kan zijn voor de kinderen in mijn wijk. Als je hard werkt voor je droom, kom je er wel. Ik wil ook de Spelen van 2024 nog halen. En als ik daarna stop, begin ik een eigen sportschool. Ik zie wat sport kan brengen in een wijk als Bloemhof. Wat het voor jongeren hier betekent om een doel te hebben.”
Hij kijkt op en lacht een verlegen glimlach. “Ja, ik moet iets bereiken inderdaad. Ik stop al die tijd en energie er niet voor niets in.”

(Dit artikel verscheen in het jaarverslag van de Stichting Bevordering van Volkskracht 2016/2017)