A.K. Fahim Barakzai – Afghanistan

A.K. Fahim Barakzai wordt op 11 juli 1969 geboren in Kabul (Afghanistan). “Het Kabul uit mijn jeugd, is vergelijkbaar met de steden in West-Europa. Scholen, universiteiten en musea, nachtclubs en bioscopen. Alles was er.” Maar Fahim weet ook nog van de grote verschillen in het land: “Buiten de steden waren veel plekken waar mensen nog nooit een fiets of auto hadden gezien.” In zijn vroegste jeugd is Kabul een prachtige plek. Maar als hij een jaar of tien is, vallen de Russen binnen en pakken de Moedjahedien de wapens op. Daarna gaat het bergafwaarts met het land.

“In Kabul zat ik op de Amerikaanse high school. Daarna ben ik gaan studeren in Sint-Petersburg. Een fijne tijd vond ik dat. Ik heb in Sint Petersburg mijn vrouw ontmoet en wij kregen een zoon. We waren gelukkig, maar nadat ik in april 1992 mijn master in de elektrotechniek had gehaald, moest ik terug naar Afghanistan. Ik was op een studievisum in Rusland en dan mag je na je afstuderen niet blijven. Ik ben zonder vrouw en zoon teruggekeerd naar Kabul en ging werken bij de televisie.

De situatie was in mijn afwezigheid alleen maar erger geworden. Er werd nog veel gevochten tegen de Russen, maar een paar weken na mijn terugkeer kwamen de Moedjahedin aan de macht. Ik kon bij de tv blijven werken als ingenieur en in de montage van een televisieprogramma. Alles werd anders toen de Taliban in 1996 de regering omver wierpen. In de nacht dat de Taliban kwamen naar het tv-centrum, was ik toevallig niet op mijn werk omdat mijn moeder ziek was. De Taliban hebben daar alle ingenieurs doodgeschoten. Ik heb geluk gehad.

Mijn vader heeft me diezelfde nacht nog naar een plek gebracht waar auto’s klaarstonden die mensen naar Pakistan brachten. De chauffeur van de minibus die me naar Pakistan bracht, betaalde om ons zonder controle over de grens te krijgen. Ik wilde daar niet blijven, omdat de Taliban vanuit Pakistan kwamen. Na acht maanden had ik alle papieren rond om naar het Westen te vliegen. Op mijn ticket stond Schiphol.”

“Nadat ik asiel aangevraagd had, werd ik snel toegelaten omdat duidelijk was dat ik inderdaad gevaar liep. In mijn intake-interview met de immigratiedienst zeiden ze me: ‘Meneer, met uw specialiteit maakt u geen kans op werk in Nederland.’ Dus ik wilde via Duitsland proberen door te reizen naar Canada om te kijken of ik daar een toekomst kon opbouwen. Op het vliegveld in Frankfurt ontdekte een jonge, vrouwelijke Douanier dat ik een vals paspoort had. Zij zei: ‘U bent 27. Ik wil uw leven niet kapotmaken. Ga alstublieft terug want met dit paspoort komt u in de gevangenis.’ Eenmaal terug in Nederland, ik zat in een asielzoekerscentrum in Harlingen, was ik niet enthousiast meer om ergens anders heen te willen. Mijn lot lag blijkbaar in Nederland, dus ik ben intensief de taal gaan leren.”

“In december 1999 ontmoette ik mensen van het UAF, een instituut dat hoogopgeleide vluchtelingen helpt aan passend werk. Via hen kon ik naar Rotterdam. Ik kwam aan bij mijn nieuwe huis en kreeg vier eieren op mijn hoofd gegooid. Ik hoorde lachen maar kon de boef niet vinden. Toen ook het huisje vies en stuk bleek, werd ik zo verdrietig dat ik terug wilde naar Friesland. Maar opgeven ligt niet in mijn aard. Dus toen de gemeente voorstelde mijn huis op te knappen, ben ik gebleven. Ik kon naar de TU Delft. Een Chinese professor daar zei me echter: ‘Dit is zonde van je tijd. Jouw diploma is niet te vertalen naar onze opleidingen. Gebruik je talenkennis.’ Ik heb zijn raad opgevolgd en sinds 2008 ben ik gediplomeerd tolk Afghaans, Russisch, Farsi en Dari.

Ik ben als tolk wel terug geweest naar Afghanistan. Ik voelde me een vreemdeling; het is niet meer het land dat ik kende. En mijn leven ligt nu ook in Rotterdam. Ik kon via het Rode Kruis mijn gezin vinden en na negen jaar kon ik mijn vrouw en zoon voor het eerst weer zien. Ik had ze voor het laatst gezien toen mijn zoon 9 maanden oud was. Ons leven begon weer in het prachtige Rotterdam. Deze stad is kleurrijk en ik heb het gevoel dat mensen me begrijpen omdat ze de diversiteit gewend zijn. Ik ben niet die ene nieuwkomer die opvalt op straat.

Ik ben er trots op Rotterdammer te zijn. Dat er nu zoveel toeristen komen en dat zij zich hier welkom voelen, dat vind ik mooi om te zien. En ons dochtertje is hier geboren en roept steeds: ‘Ik ben een echte Rotterdammer!’ Het is mijn hartgevoel dat mijn kind zich thuis voelt waar we wonen. Dat mooie gevoel geeft Rotterdam haar.”